Posts tonen met het label talibes. Alle posts tonen
Posts tonen met het label talibes. Alle posts tonen

woensdag 29 mei 2013

Vrijdag en Robinson gaan door Nederland fietsen


Wij zijn onlangs een crowd funding campagne gaan opstarten om fondsen te werven voor een BluePump en het opknappen van het onderkomen voor onze Groene Leerlingen. Een groep van onze ex straatkinderen, jongens dus. Jongens die het vermogen én talent hebben om boer, tuinman, handelaar of bedrijfsleider te worden. Wij hebben in 2012 een huis voor hen gevonden wat opgeknapt moet worden en een paar grote tuinen waar water en andere voorzieningen moeten komen. Andere Dakarkids die dóór willen leren kunnen doorstromen naar het vervolgonderwijs via ons opvanghuis in Dakar of anders verhuizen naar het landelijke lyceum in het zelfde stadje waar onze groene projecten zich bevinden. Dit kan nu vanwege onze een nieuwe zuster organisatie. Onze oudste Dakarkids zijn Lamine en Demba en zij zijn beiden verantwoordelijk voor het wel en wee van de jongere Dakarkids. Association Dakarkids heeft daarnaast een grote groep vrijwilligers die betrokken zijn op de vele kleine en grote deel projecten die deel uit maken van ons ‘community development’ programma.

Voor Dakarkid Lamine zag de toekomst er in 2004 bepaald niet rooskleurig uit. Hij was al vijftien maar leek eerder twaalf jaar oud. Zijn oogwit was bedekt met gele en rode vlekjes. Zijn donkere huid was faal grijs. Zijn veel oudere halfbroer had geassisteerd bij een NGO project waar ik in opdracht van een buitenlandse donor een controle had uitgevoerd.  Op de weg terug vroeg de broer of wij even konden stoppen bij zijn ouderlijk huis. Het bleek een onafgewerkt huisje te zijn aan de rand van een moerasgebied. In de doorgerookte kamertjes woonden zijn vader met zijn derde echtgenote. De broer van Lamine was de eerste zoon van de vader. De eerste echtgenote was al jaren eerder overleden. De tweede echtgenote was de moeder van Lamine. Lamine zat buiten op een krukje. Alleen en op afstand van zijn familie. De moeder was psychisch in de war geraakt nadat de één jaar jongere zus van Lamine in een put was gevallen. De zus was kort daarna overleden aan vermoedelijk innerlijke bloedingen. Er was geen geld geweest voor een ziekenhuis. Sinds het overlijden van haar enige dochter had de moeder geen oog meer voor haar enige zoon. En ook geen woorden meer.

Het huwelijk met de derde vrouw was zeer vruchtbaar. Er waren in vlot tempo vijf kinderen geboren. De tweede vrouw had stilzwijgend een kleine kamer met haar zoon Lamine betrokken. Om zes uur in de ochtend staat zij op en vertrekt naar de centrale markt om daar verse bonen te kopen. Vanaf acht uur ’s morgens tot acht uur ’s avonds verkoopt de moeder haar bonen vanaf een kleine wankele tafel. Zo doet zij dat al vijftien jaar. Stilzwijgend. De halfbroer nam Lamine mee naar het NGO kerstfeest. Omdat Lamine niemand anders kende dan zijn halfbroer en mij eerder had ontmoet blijf hij in mijn schaduw en was behulpzaam bij het opruimen. Drie dagen later stond Lamine voor de deur van mijn huis. Of hij mocht komen helpen met het huis was zijn vraag. Hij kon de vele planten water geven die om het huis heen in grote bakken aan de binnenmuren waren geplaatst. Mijn bureau stond onder een raam met zicht op het voor terras. Na verloop van tijd zag ik veel water onder het entree hek naar buiten stromen. Achter het huis stond Lamine met de tuinslang in zijn hand bij de bananenboom te slapen.

Toen ik hem wakker maakte glimlachte hij verlegen. En hij vroeg verlegen maar ook enigszins bang voor afwijzing. ‘Mag ik hier komen wonen’? Waarom wil je dat vroeg ik hem? Lamine verteld dat  hij door ziekte al drie jaar nauwelijks naar school was geweest. Ja hij ging wel maar hij werd vaak weg gestuurd omdat hij in de klas lag te slapen. Hij was zeer achteropgeraakt en al vijftien jaar. Men had hem al maanden daarvoor gezegd maar een baantje te gaan zoeken. Maar Lamine is een Mandinka. En die werken niet onder een baas. Zij drijven liever handel om zodoende zelfstandig te blijven. De ouders van Lamine kwamen van platteland en waren tijdens de grote droogte aan het begin van de jaren ’80 van de vorige eeuw naar de grote stad getrokken. De familie hadden jarenlang in een barak van gevonden hout gewoond en pas de laatste jaren was er wat geld geweest voor betonblokken. Het huisje had een dak met golfplaten en elk jaar werd er een stukje aangebouwd. In 2004 woonden bijna 500.000 mensen in de ‘spontane’ wijk. Zonder riolering en waterleiding. Ontlasting word in beerputten opgevangen die hun restanten vrijgeven als er overstromingen zijn tijdens de regenperiode. Ideaal voor malaria en cholera.

Lamine heeft het overleefd. Later bleken er meer jong overleden kinderen te zijn geweest. Daar wordt niet over gesproken. Want Allah wikt én beschikt. En het leven gaat immers door. Het werd mij steeds meer duidelijk dat Lamine niemand had die écht iets voor hem zou kunnen betekenen.  En Lamine had kennelijk besloten dat ik de persoon zou gaan zijn die wél iets voor hem zou gaan betekenen. Hij is nooit meer terug gekeerd naar zijn familie. Een bloed onderzoek wees uit dat Lamine verschillende keren malaria heeft gehad die een chronisch patroon begon te krijgen. Ook heden heeft het lichaam van Lamine een paar dagen per maand een moeilijke periode. Hij mag ook geen hoge koorts krijgen want dat zou dodelijk zijn. Nu, bijna tien jaar later is Lamine sterk en gezond met op de achtergrond de sluimerende mogelijkheid dat de malaria en die andere ziekte plotseling kan toeslaan. Lamine is niet alleen. Er zijn duizenden jongeren zoals hij die door ondervoeding en onvoldoende behandelde ziekten in hun jonge jaren de kans lopen om chronisch ziek te worden en plotseling te overlijden.

Het doet innerlijk pijn om hier over te schrijven. Het is intiem en persoonlijk. Maar wel de realiteit. Een Afrikaanse realiteit. Want in Nederland met ons overspannen maar voortreffelijke zorgstelsel is alles gebaseerd op repareren en kwaliteitszorg. Een paar jaar geleden hebben Lamine en ik samen de film (een serie) Robinson Crusoe op DVD gezien. Waarin Crusoe die zelf enige jaren slaaf is geweest, zich ontfermt over een ontsnapte slaaf die hij Vrijdag noemt. Genoemd naar de dag van zijn bevrijding. De film gaat over een oudere witte man en een jongere zwarte man die door het lot samen zijn gebracht en door de jaren heen met elkaar leren leven en elkaar zijn gaan begrijpen. Er groeit ook een diepe emotionele band tussen beiden. Die soms hevig onder druk komt te staan vanwege cultuurverschillen. Het is de warme sympathie en de wederzijdse afhankelijkheid die hen dan weer samen brengt. Lamine en ik moesten soms verschrikkelijk lachen om de problemen die Vrijdag en Robinson met elkaar hadden. Zij kwamen ons méér dan bekend voor. 

Lamine is pas gaan lezen en schrijven vanaf zijn zeventiende. De uitdaging was het rijbewijs. Hij moest immers de theorielessen kunnen volgen en verkeersborden kunnen lezen. Een maand na zijn achttiende verjaardag haalde hij met glans zijn rijbewijs. De computer deed de rest. Facebook en andere sociale media bieden veel beeldmateriaal maar ook kleine teksten. Afrikaanse jongeren voelen haarfijn aan dat de sociale media ‘hun’ gebied is. Meer dan 60% van de oudere Senegalezen kan niet lezen of schrijven. Dan is er nog een hoog percentage half analfabeten. De Afrikaanse jeugd in de grote steden (binnenkort woont ook half Afrika in steden) communiceren zeer veel via Facebook en ook sms’en komt in zwang. De digitalisering van de Afrikaanse jeugd is daarom hún terrein. Dit proces steun ik van harte. Het geeft de jeugd een stem die pas over een paar jaar gehoord zal worden. Maar het broeit prima onder de jongeren. Onze Dakarkids leren bij ons meer achter de computer dan op hun scholen. Als elke leerling in Senegal een iPad zou hebben in plaats van de nu nog steeds in gebruik zijnde lei of de nare schriftjes van goedkoop papier met die rot pennen. Dan zouden de Senegalese kinderen binnen enige jaren het zelfde niveau hebben als bijvoorbeeld de Nederlandse schoolkinderen.

Het is voor Lamine en ook voor de andere oudere Kids een flinke uitdaging en zeker ook niet makkelijk om al zoveel verantwoordelijkheid voor elkaar te moeten dragen. Senegal is immers een land waar de ‘ouderen’ traditioneel de dienst uit maken. Maar die hebben er tot zover nog niet veel van gebakken. En door de sociale media, zien en lezen de jongeren dat het ook anders kan. Het is dus zaak om (onze) jongeren op te leiden tot ‘nieuw leiders’. - Nieuwe leiders die oog hebben voor een gezonde economie en die de sociale belangen van kinderen en ouderen standaard in hun pakket meenemen maar ook binnen de grenzen van de ecologische mogelijkheden leren denken (en doen).

In de afgelopen jaren hebben wij veel Europese en ook Amerikaanse jongeren mogen ontvangen. Die kwamen bij ons voor een korte of lange stage. Of voor een afstudeer project. Voor hen was het verkrijgen van een visum geen enkel probleem. Als onderdeel van onze fondsenwerving gaan Lamine en ik deze zomer vijf weken door Nederland fietsen. Wij gaan op tournee om onze donateurs te bedanken en misschien vinden wij nieuwe donateurs die verder kijken dan de schuldencrisis en met raad en daad onze projecten willen steunen. Voor het visum van Lamine moeten 10tallen papieren ingevuld worden. Er moeten garanties door bevriende Nederlanders worden afgegeven en wij moeten de autoriteiten er van overtuigen dat Lamine écht terug gaat naar Senegal. Terwijl wij weten dat Lamine niet eens zou willen blijven. Hij vindt vooral dat hij verantwoordelijk is voor de Kids en ziet de reis als een uitdaging om ook hen te vertellen dat Nederland weliswaar mooi is maar dat Afrika toch meer toekomst perspectieven bied. En volgend jaar wel Lamine mee naar Indonesië om mee te helpen een boek af te maken en ook om Purworedjo te bezoeken waar in de 19de eeuw honderden Afrikaanse KNIL militairen gezinnen hebben gesticht en gebatikte doeken naar Afrika stuurden die nu zo geliefd zijn als wax textiel.

Wij gaan dus gezellig vijf weken door Nederland fietsen in de maand augustus (als de autoriteiten niet moeilijk doen) en wij bereiden alvast een 15 minuten presentatie voor. Via een laptop en een kabeltje kunnen wij ‘waar dan ook’ op een TV scherm laten zien met hoeveel plezier wij ons werk doen en welke zorgen wij soms hebben. Mensen die ons willen ontvangen nemen wij graag op in onze fietsroute maar schrijf ons even een berichtje via dakarkids@gmail.com of via facebook dan fietsen wij er wel een mouw aan.

En stel dat Robinson Crusoe en Vrijdag over fietsen hadden kunnen beschikken en een routeplanner hadden gehad? Wij hebben er reuze zin in!





















zaterdag 1 december 2012

De dood van een Talibé


Het was druk geweest op het busstation van Thies. Asanne had meegeholpen om de bagage op het dak van de meer dan veertig jaar oude Renault autobus vast te sjorren. Zoals gewoonlijk waren er weer meer passagiers dan  beschikbare zitplaatsen verkocht. Door het overgewicht op het dak zakte de bus bijna door luchtgeveerde schokbrekers. Asanne was moe. Vroeg in de ochtend waren zij uit St. Louis vertrokken en na een paar uur herladen zou dus bus rond middernacht in St. Louis terug keren. Op de achterkant van de bus waren lang geleden twee smalle ladders gelast. Aan de onderkant verbonden met een lange treeplank waarop een of twee ‘apprenti’ konden staan. Asanne werkte al weer twee jaar als apprenti op de bus van Sering de oude chauffeur die hij nog kende toen hij in de koranschool woonde.

Asanne had achterin de bus bij de achterdeur op een heel klein klapbankje gezeten. Veel passagiers waren al in slaap gevallen en de warme lucht in de bus maakte dat Asanne de achterdeur opendeed en onder het rijden met een wijdbeens sprong naar de ladder op de achterkant van de bus klauterde. Hij vond de warme avondlucht en de wind heerlijk. De wind tilde zijn hemd op en de koelere lucht streek over zijn magere bovenlichaam. De bus slingerde zich over donkere weg af en toe wat snelheid terugnemend als er een schaars verlicht dorp werd gepasseerd. Asanne had er een gewoonte van gemaakt om zijn armen om de ladder heen te slaan en rechtopstaand kon hij toch wat slaap inhalen. Hij droomde dan vaak over verre reizen en oorden waar hij foto’s van had gezien in oude tijdschriften. Of over zijn oudere broer die met een boot ’s nachts was vertrokken en nu in Spanje zou wonen. Kort voor middennacht wipte de achteras van de bus door een onverhoeds scherpe bocht en diepe kuil en slingerde de slapende Asanne van het kleine treeplankje.

Het lichaam van de slapende Asanne kwam hard met het asfalt in aanraking. Zijn gestrekte lichaam rolde met grote vaart van het hoger gelegen talud. Om een paar meter lager door de hoog opgeschoten struiken tot stilstand te komen. Pas in St. Louis zou men bemerken dat Asanne er niet meer was. Sering en de andere apprenti maakten zich geen zorgen. Zij waren moe en zouden Asanne in de ochtend wel weer zien. Als de bus opnieuw zou vertrekken. De vroege ochtendzon scheen over het magere gezicht van Asanne. Hij leek veel jonger dan zeventien. Alhoewel hij niet zeker wist of hij wel zeventien jaar oud zou zijn. Op zijn dorp werden nooit geboorteaangiftes gedaan. Er werd eerst gekeken of het kind levensvatbaar was. Asanne had twee zusjes gehad die kort na de geboorte waren gestorven. Ndeye zijn moeder had de vier weken oude tweeling ’s morgens dood gevonden. Asanne was vijf jaar oud geweest en had op de mat geslapen met zijn andere broertjes toen hij wakker werd van de zacht huilende Ndeye die de beide baby’s dicht tegen zich aan had gedrukt en gebeden prevelde afgewisseld met en toon van verdriet die hij nooit eerder had gehoord. Asanne was stil bij zijn moeder gaan zitten. Aan het eind van de middag waren de baby’s in lappen gewikkeld en buiten het dorp in een diepe kuil begraven. Gorgui de dorpsoudste had gebeden opgezegd. Asanne had op zijn hurken gezeten naar de gezichten van de grote mensen gekeken. Verweerde gezichten. Zijn vader was er niet geweest die kwam alleen tijdens de ramadan en bracht dan soms kleine cadeautjes mee uit het verre Dakar. Vader hield dan ook de nieuwe baby vast terwijl de andere kinderen om hem heen stonden.

Het ochtendlicht verwarmde het lichaam van Asanne. Zijn ogen gingen open. Langzaam trok de warmte door zijn bovenlichaam naar beneden. Zijn hemd was door de rolpartij gescheurd en lag open en half gedrapeerd langs zijn armen. Uit zijn afgezakte oude zwarte broek stak de rode voetbalbroek van zijn geliefde Spaanse voetbalclub waar zijn oudere broer dicht bij zou wonen. Het bewustzijn kwam langzaam in Asanne terug. Hij probeerde zich te bewegen. Dat lukte niet. Op het gezicht van Asanne verscheen een glimlach. Hij kon niet begrijpen dat zijn lichaam niet wilde luisteren. Vroeger ging dat als vanzelf. Hij wist ook dat hij geen pijn had. Hij kende pijn. Als hij door zijn koranleraar met een stok of een riem werd geslagen had hij geleerd niet te schreeuwen maar juist de pijn in te slikken. Want hoe harder hij huilde des te harder sloeg de Oustache. Hij was soms te moe geweest om de oude Arabische woorden die samen een spreuk of gebed vormenden telkens en opnieuw te herhalen. De woorden herkende hij op de houten afgeronde planken die de andere leerlingen voortdurend met elkaar ruilden.

Ndeye zijn moeder was stil geweest toen haar werd verteld dat Souleymane haar echtgenoot had laten weten dat hij in Dakar een tweede vrouw had getrouwd. Ook de andere vrouwen in het kleine dorp wisten wat dit betekende. Er zou minder geld uit Dakar komen. Enige maanden later was Modou uit het andere dorp bij Ndeye langsgegaan. Hij had Ndeye verteld dat hij geen boer meer zou zijn het land was te droog geweest en hij voelde zich verlicht door nieuwe inzichten. Hij had een nieuwe roeping. Hij was tot het besluit gekomen om zich als koranleraar in St. Louis te gaan vestigen. Hij wilde zijn eigen Daara openen en gunde ook de vele jongens in het dorp de mogelijkheid om zich tot Allah te wenden door studie van de Koran. Hij had al 17 kleine volgelingen en vroeg ook aan Ndeye of zij een of twee van haar jongens aan hem toe wilde vertrouwen. Vroeger, voor de grote droogte was er niet ver het dorp ook een Daara geweest. Het was een afgeschermd stuk land en bij de ingang was door de leerlingen een lemen gebouw met een dak van riet en gedroogde takken gebouwd waar zij met soms wel vijftig jongens les hadden gekregen van de strenge maar vriendelijke Oustache Mbaye. De jongens waren altijd schoon geweest en hadden ook vele uren op het land doorgebracht om te zaaien en te oogsten. Alleen op de woensdagmiddagen zwermden de vele jongens uit met hun halve kalabasschalen om suiker, rijst, bonen of ander eten bij hun ouders en buren op te halen. De volle schalen waren een teken van waardering voor de goede zorgen van de koranleraar. Dat was vroeger.

Asanne was ongeveer zeven jaar oud geweest en met zijn drie jaar oudere broer en achttien andere jongens in een oude witte bus zonder glas in de ramen naar St. Louis vertrokken. Ndeye had gezegd dat zij niet mochten huilen en goed naar de Oustache moesten luisteren. Hun leven zou veranderen en beter worden had Ndeye gezegd. Asanne had zijn moeder lang aangekeken en in haar gezicht gezocht of er ergens een uitdrukking was waardoor hij bij haar kon blijven. Net zoals de andere moeders had Ndeye een grote wijde hoofd en schouderdoek omgeslagen en leek hiermee te willen vertellen dat haar besluit vast stond. De schaarse bezittingen van de twintig jongens waren in drie grote linnen zakken samengebracht en op het dak vastgebonden. Asanne was geschrokken van het rauwe geluid van de motor. Het was de eerste keer dat hij in een bus zat en hij verbaasde zich over de wijze waarop het landschap onder en opzij van de bus hem meenam naar het onbekende oord waar hij enige uren later in het donker terecht zou komen. Modou die vroeger boer was geweest wilde nu Oustache genoemd worden. Hij verteld de jongens in de bus dat hij voor hen zijn leerlingen en zijn Talibes, alles had opgegeven. Zijn vrouw en kinderen zouden achterblijven en hij zou hun de weg wijzen naar kennis die groter was dan het leven. Door armoede en eenvoud zouden zij eerder begrijpen wat de boodschap van Mohammed zou zijn. Als zij hem zouden volgen zoals hij Oustache Modou, Mohammed volgde. Dan zou de beloning in het paradijs vele malen groter en mooier zijn dan het harde leven op aarde. De jongens waren onder de indruk geweest van Modou die zo veranderd leek en in zijn lange witte Boeboe gewaad en nu zoveel indruk maakte.

Asanne zou bijna zeven jaar in het ommuurde grondstuk vlak bij de zee verblijven. Er was een kleine kamer voor de Oustache met een gordijn als deur. Door de jaren heen had de Oustache ook vaak kleine papiertjes opgerold met daarop een krachtige spreuk uit de koran. De rolletjes werden met wat zand in een leren zakje genaaid en van een zwarte koordje voorzien. Soms met kralen versierd. Deze gris-gris werden als talisman verkocht aan mensen die kracht of bescherming nodig hadden. De Oustache was steeds succesvoller geworden met de verkoop van zijn gris-gris. Hij werd nu ook Marabout genoemd. De jongens sliepen naast de kamer van de koranleraar. Onder een groot afdak waar ook de opgerolde matten stonden en de linnen zakken met oude kleding. Elke dag werd er water gezocht in de wijk en sleepten een paar leerlingen de 10 liter waterflessen naar de Daara. Veel tijd voor koranlessen was er nooit geweest. Alle jongens brachten op blote voeten vaak meer dan twaalf uur per dag door met bedelen. Er moest immers door iedere jongen meer dan 500 CFA opgehaald worden. Op straat was het vaak ook leuker dan in de Daara. Er veel te beleven en als je geluk had dan vulde het grote lege tomatenpuree blik zich met rijst, suiker of gekregen etensresten. Die 500 CFA bleven echter wel verplicht maar de extra hapjes waren wel een prettige aanvulling. Vooral als het ’s nachts koud was dan was het prettig geweest als er nog wat extra eten voor het slapen verorberd kon worden. De jongens sliepen dicht tegen elkaar aan. De warmte die zij elkaar konden geven onder het dunnen laken was niet altijd voldoende geweest.

Asanne had met verbazing geaccepteerd dat zijn lichaam niet meer wilde bewegen. Hij had de pogingen opgegeven om signalen te geven aan zijn benen en armen. Die bleven roerloos. De warmte van de zon nam toe en Asanne begon licht te zweten soms werden zijn ogen vochtig maar door de zon verdampte het weinig vocht. De kleine mieren op zijn voeten voelde hij nauwelijks. Telkens opnieuw kwamen er beelden van vroeger als een fototentoonstelling voor zijn ogen. Er waren ook momenten dat hij de geur van zijn moeder dacht te ruiken of Maimouna. Haar handen waren zo zacht geworden door de zeep als hij door haar gebaad werd. Asanne was verliefd geworden op Maimouna. Hij was veertien en Maimouna twaalf. Met haar zou hij gaan trouwen dat stond vast en als Allah het wilde zou het ook zo gebeuren.

Asanne dacht aan haar lieve gezichtje wat hij al zo veel jaren kende. Maimouna woonde een paar straten verder. In een groot huis met veel belangrijke mensen. Er waren zelfs twee auto’s en de vader van Maimouna werd elke ochtend door een chauffeur weg gereden. Maimouna liep dagelijks naar haar school en Asanne zorgde ervoor dat hij zo vaak mogelijk in haar straat of dicht bij de school was om haar onopvallend te kunnen begroeten. Soms was er na schooltijd gelegenheid geweest om wat langer te praten op een ingetogen en toch vrolijke manier. Want eigenlijk mocht Asanne in het geheel niet praten met een meisje uit de hogere klasse. Het was Maimouna geweest die had besloten om de vriendschap toe te staan. Asanne had dat zeer bewonderd. Een meisje dat zelfstandig overkwam en hem de kleine bedelaar, aandacht wist te schenken. Er waren dagen geweest dag  Asanne kwaad en opstandig was geweest over zijn schrale leven dat zo uitzichtloos leek. De oudere jongens in de koranschool van Oustache Modou waren soms met ruzie vertrokken. Zij accepteerden het gezag van Modou niet meer. Het was Modou goed gegaan. Hij had van de gebedelde inkomsten eerst een klein winkeltje kunnen kopen. En later opnieuw een grotere winkel. Hij woonde allang niet meer in het kamertje zonder deur met dat lichtblauwe gordijn. Daar woonde nu zijn assistent die eigenlijk de korangeschriften beter kende dan Modou zelf.

Er was ruzie geweest tussen de oudere jongens en de Oustache. De jongens waren woedend weggelopen. De Oustache had hen nageroepen dat zij zijn beste leerlingen waren en dat hij zo veel voor hen had betekend. De jongens hadden zich niet meer omgedraaid. En Asanne was verbaasd geweest over het gemak waarmee de jongens zich vrij hadden gemaakt. Een jaar later zou Asanne het zelfde doen. Hij had Sering al eerder leren kennen. Een chauffeur op een grote bus die na zijn ritten vaak op een bankje had gezeten voor zijn huisje. Asanne had hem gevraagd hoe het onderweg op de reizen toe ging en waar de bus zoal kwam. Sering had gezegd ‘ga meer eens mee dan zie je waar ik over spreek’. Asanne was een paar keer mee geweest zonder toestemming van de Oustache. Het geld wat Sering hem had gegeven voor zijn hulp had Asanne ’s avonds aan de Oustache gegeven. Wanneer Asanne precies apprenti werd wist hij niet meer. Hij had zijn weinige kleding verzameld en had tegen de andere jongens in de Daara gezegd dat hij voortaan in de bus zou slapen. Niemand had hem tegengehouden en niemand zou hem geluk wensen. 

De zon had het lichaam van Asanne opgewarmd maar Asanne had het steeds kouder gekregen. De beelden die hij zo scherp voor zich had gezien werden steeds vager en kleurden zich met het geel van de zon. Asanne vond het een mooi spel en glimlachte want hij wist dat hij op weg naar het paradijs was. Pas twee dagen later stopte de oude witte bus aan de andere kant van de weg. Sering de chauffeur probeerde nog de knopen van het hemd van Asanne dicht te doen. Zijn trillende vingers voelden dat het te laat was. Hij streek over het verharde en uitgedroogde gezicht van Asanne en voelde onder zijn hand de bevroren glimlach van Asanne. 












NB: In West Afrika worden 100.000den meisjes en jongens het recht op opgroeien binnen hun eigen familie en het recht op regulier onderwijs ontzegd door exploitatie van hun levenslust. Jongens die in de informele 'koranscholen' opgroeien hebben het nu hun jarenlange verblijf extra moeilijk om sociaal te integreren. 

Zij spreken veelal geen Frans en kunnen nauwelijks lezen en schrijven. 
Meisjes vanaf 10 jaar oud worden 'uitgeleend' aan familieleden 
of moeten jarenlang als werkster in rijkere gezinnen aan de slag. 



maandag 2 juli 2012

Sex en ontwikkelingssamenwerking verhoogt kindertal in Senegal

Over de gevolgen van polygamie zijn op het Senegalese ministerie van statistiek geen cijfers bekend. Er is ook nooit onderzoek naar gedaan want daar was nooit budget voor. Vreemd genoeg is de getalsverhouding tussen het aantal vrouwelijke en mannelijke bewoners niet veel verschillend dan bij voorbeeld in Nederland (circa 52% vrouwen en 48% mannen). Omdat de gemiddelde leeftijd waarop men sterft rond de 62 jaar ligt is er geen sprake van een bedreigende vergrijzing of van wantoestanden in bejaardenhuizen laat staan een pensioengat. Bejaardenhuizen zijn hier gewoonweg nauwelijks te vinden. Een steekproef onder tien Senegalese manlijke vrienden/kennissen in mijn woonwijk laat het volgde  beeld zien: Twee vrienden hebben drie vrouwen. Twee vrienden hebben twee vrouwen. De zes overige vrienden hebben allen één echtgenote. Het totale kindertal in 47. Dus het gemiddelde ligt op 4,7 kinderen per familie. In Nederland ligt dat op  meer dan de helft lager. Hoe meer welvaart in een Senegalese familie des te lager het gemiddelde kindertal, er zijn uitzonderingen maar de algemene trend is minder kinderen. Dus als de welvaart toe zou nemen dan zullen er minder kinderen geboren worden. 

De polygame mannen met drie vrouwen maken over het algemeen een meer gestreste indruk dan de mannen met één vrouw. De vrienden met twee vrouwen verdelen veelal hun tijd met vier dagen bij vrouw een en vier dagen bij vrouw twee. De mannen met drie of twee vrouwen geven na enig gedraal wel toe dat zij niet altijd even gelukkig zijn en dat de ‘fun factor’ met meerdere vrouwen niet veel hoger is. Er is vaak onderlinge animositeit tussen de vrouwen die er goed op letten dat zij en haar kinderen op z’n minst evenveel aandacht en zorg (geld) krijgen als hun concurrenten. Voorbehoedsmiddelen zoals condooms zijn overal goed te krijgen. Maar de pil ligt al moeilijker en de morning after pil is bijna geheel taboe. Navraag bij vijf apotheken gaf de bevestiging dat zij die niet in hun pakket hadden en dat je daarvoor naar een ziekenhuis moest gaan. De pil wordt dan voorgeschreven als ‘menstruatie regulering’ dus als een medicijn. De morning after-pil is zeer moeilijk te krijgen en duidelijk bedoeld voor jonge meisjes/vrouwen die spontaan seksueel actief zijn geweest. Deze anti conceptie wordt nauwelijks gekocht, enerzijds door gebrek aan geld anderzijds door schaamte en het taboe op sex vóór het huwelijk. De meisjes rest vaak niet anders dan wassingen met lokale middeltjes die vaak ernstige gevolgen kunnen hebben voor de vaginale flora. 

Opvallend zijn de grote budgetten die pakweg de afgelopen 10 jaar zijn vrijgemaakt en opgesoupeerd door de grotere NGO’s voor HIV voorlichting in Senegal. Er zijn circa 70.000 met het HIV besmette personen in Senegal wat uiterst laag is voor een Afrikaans land met dertien miljoen inwoners. Een groot deel van de besmette patiënten komt uit de kustlanden van West Afrika en hebben in Senegal veelal als prostituee gewerkt (alweer een taboe). De landelijke campagnes hebben goed gewerkt bijna ieder kind vanaf circa 10 jaar weet wat HIV ofwel SIDA is. De kans dat zij het zouden kunnen oplopen is echter zeer laag. De jeugd is veel minder promiscue dan verondersteld o.a. door de zeer grote sociale controle en de relatief strenge leefregels die zijn opgelegd door de religieuze stromingen. Geboortebeperking en het vrij of zeer goedkoop kunnen verkrijgen van de pil is kennelijk onbespreekbaar geweest in het voor 95% Islamitische Senegal. Het gebruik van de pil zou immers kunnen betekenen dat je regelmatig sex zou hebben en geen kinderwens zou hebben. Dus sex voor het huwelijk liever niet en veel kinderen krijgen tijdens het huwelijk wél. Want het helpt vooral mee om het aantal Islamieten te vergroten en daardoor de grootste wereldreligie te worden. In 2012 telt de wereldgemeenschap circa 1 miljard moslims. Er is dus nog een lange weg te gaan. Verhoogde welvaart zou echter een lagere groei van het aantal nieuwe moslims kunnen betekenen en het lijkt er op dat men om die reden niet altijd zit te wachten op bijvoorbeeld buitenlandse ontwikkelingshulp behalve als deze omgebogen kan worden naar taken waar de regering liever geen prioriteit aan geeft maar wel voor meer ‘werkgelegenheid’ zorgt  op de ministeries. Toch denkt de jongere generatie aan één echtgenoot en maximaal twee kinderen. 

Het Ministerie voor Statistiek wilde ook niet onderzoeken of het grote aantal langdurige stroomonderbrekingen van de laatste tien jaar geboortegolven heeft veroorzaakt. Ik werd wel heel vreemd aangekeken door de onderzoekers in het ministerie met mijn rare vragen. Het is een haveloos gebouw met een grote hoeveelheid aan kapotte computers en niet werkende printers. Er werken veel mensen maar het is onduidelijk waaraan. Er is net genoeg geld voor de salarissen maar een voortdurend gebrek aan budget. Men was wel heel vriendelijk en wilde weten waarom ik zoveel belangstelling had. Toen ik uitlegde dat wij ons bezig hielden met het stimuleren van de gemeenschap door hun eigen lot in de hand te nemen (community driven change) dus ook orde op zaken te stellen in de eigen wijk werd men toch nieuwsgieriger. Er zijn immers mooie voorbeelden uit andere werelddelen waar de bevolking zelf het heft in handen nam en hun woonwijk opeens wel veranderde in een aangename woonomgeving. Zelfs de Indische buurt in Amsterdam hoopt te leren van de door hen bezochte projecten in Brazilië. In ons arrondissement zijn wij dit jaar begonnen met een campagne om de wijken schoon te krijgen als voorbereiding op een grote opknapbeurt van het lokale stadion. In tegenstelling tot de gebruikelijke weg zijn wij begonnen met de bewoners (de belanghebbenden) te vragen wat en hoe zij het graag willen hebben. De eerste overlegfase is inmiddels achter de rug en wij hebben er bij de bewoners op aangedrongen om niet vanuit de ‘slachtofferrol’ mee te denken maar hun stem als tellend en belangrijk in te brengen. Omdat wij vanaf het begin af aan kiezen voor een transparant werk en financieringsmodel verwachten wij de grootste weerstand bij de ‘machthebbers’ die immers geen invloed zullen hebben op de bestedingen en daarvan delen ‘reserveren’ voor eigen doeleinden. Heb ik dit niet keurig geschreven! Want ik wilde eigenlijk het woord corruptie schrijven.

Met de sex valt het dus reuze mee in Senegal. De jeugd kan er zeer uitdagend bij lopen en er wordt graag gelachen en geflirt op straat maar er gebeurt relatief weinig. De circa 500.000 internet aansluitingen in Senegal worden goed gebruikt voor sociale media zoals Facebook. Ook andere ‘dating’ sites zijn populair maar leiden zelden tot ontmoetingen met vreemden. Het aantal mannen en vrouwen uit bijvoorbeeld Europa op zoek naar een relatie voelen zich na een ‘klik’ en bezoek aan Senegal vaak bedrogen en uitgebuit omdat een relatie aangaan met een Senegalese man of vrouw veelal betekend dat je voor de gehele familie dient te zorgen. De romantische en soms sappige verhalen over multiculturele relaties die soms boven komen drijven verzanden al gauw in moeilijkheden rond het verkrijgen van visa en het gevoel opgelicht te zijn. Een veel groter probleem wat soms de krant haalt maar zelden een topic is voor de NGO’s en de particuliere initiatieven (PI’s) is het huiselijk geweld en de uitbuiting van jonge meisjes als schoonmaakster  en sexslavin voor de heer of zoon(s) des huizes. Het zijn vaak meisjes met een minimum aan of geheel geen schoolopleiding die jarenlang bij een vreemde of verre familie in huis wonen. Hun aantal zou wel eens vele malen groter kunnen zijn dan de straatjongens zoals de Talibes ofwel Koranschool leerlingen die door hun Koranleerkracht dagelijks uren lang uit bedelen worden gestuurd. Tel hierbij de groep kinderen op die vanaf hun twaalfde levensjaar als ‘leerling’ bij een timmerman, ijzerbewerker, winkelier of andere semi-middenstander  aan het werk moeten en het maakt duidelijk waarom het lager onderwijs door circa 72% van de aanwezige kinderen bezocht word. De resterende kinderen worden soms aangemeld en werken vervolgens thuis of in een atelier. De bilaterale hulp aan Senegal van de laatste 25 jaar is kennelijk zwaar onvoldoende gebleken om invloed uit te oefenen op het regeringsbeleid t.o.v. een transparante staatshuishouding en een stringent onderwijsbeleid. Senegal doet wel trots over hun lager onderwijs maar het staat op een zeer laag niveau en het secundaire onderwijs staat geheel en al in zeer kleine kinderschoenen en wordt geplaagd door gebrek aan goede gebouwen, goede inrichting, goed lesmateriaal en vooral een groot gebrek aan prima leerkrachten.

Neem nu 2010. Los van de bilaterale hulp van buitenlandse overheden aan de Senegalese overheid was er de multilaterale hulp van bijvoorbeeld de Wereldbank. In mij vorige artikel schreef ik al over een van de vijf wegen in Dakar die door de Wereldbank worden gefinancierd en maar niet af komen en op z’n minst niet goed gebouwd worden. Volgens de foto hieronder is er in 2010 - 3.631.918 Euro naar Senegal overgemaakt. Werk uitgevoerd door 10 NGO’s uit Nederland. Een langdurige blik op de 10 websites van de deelnemers geeft een teleurstellend inzicht over de besteding van de fondsen en op de controleerbare behaalde resultaten. Het woord transparantie was in 2010 al zeer populair maar geen van de tien NGO’s is duidelijk. Geen van de 10 NGO’s heeft een briljante mislukking naar het Instituut voor Briljante Mislukkingen ingestuurd dus vallen de resultaten in Senegal misschien onder ‘interne leerprocessen’. Wat de 10 met elkaar gemeen hebben is dat zij geen noodhulp of wederopbouw hulp verlenen. Zij doen aan kennisoverdracht, capaciteitsopbouw en dragen oplossingen aan. Toch rijst de vraag hoeveel geld hebben deze organisaties zélf nodig gehad (in Nederland en Senegal) om hun doelstelling te bereiken. Hoeveel Senegalezen zijn er duurzaam door hen opgeleid om later hun werk  over te kunnen nemen. Hoeveel Senegalezen zijn er bereikt en hebben daadwerkelijk iets duurzaams geleerd of welke blijvende veranderingen zijn aantoonbaar en vandaag de dag nog zichtbaar. Op deze vragen geven de vaak prachtige websites geen antwoord. En ook bezoek op de door de NL NGO’s genoemde locaties geven een teleurstellend beeld. Een aantal van de Senegalese medewerkers van de betrokken NGO’s hebben een tijdje goed verdiend en konden toen ook trouwen en hebben vaak leuke gezinnetjes. Ze zijn heden op zoek naar werk. Het liefst bij een NGO.

Hoe groot het bedrag is wat door Nederlandse PI’s in 2010 in Senegal is besteed is helaas onbekend. Hun branche organisatie www.partin.nl was toen nog niet volledig op dreef. En er is nog geen database beschikbaar met NAW en financiële gegevens van PI’s die bijvoorbeeld Senegal een steuntje hebben gegeven.  Wat ik zelf aan ‘natte’ gegevens heb wijst op een bedrag van circa 300.000 Euro in 2010. Opvallend hierbij is dat er zelden meer dan 5% aan kosten wordt gemaakt door de PI zelf om hun doel te bereiken. In hun boekhoudingen zijn dan ook nauwelijks loonkosten te vinden. Soms een vergoeding voor een stagiaire of een klein bedrag aan kantoorkosten. Het draagvlak van de PI’s is kennelijk bereid om hun vele werk gratis te doen. Ik beveel het lidmaatschap van de Partin organisatie van harte aan o.a. omdat kennisoverdracht en van elkaar weten en leren hun succes bij de donateurs én ontvangers alleen maar groter kan maken. En laten we wel wezen een waterpomp door UNICEF geïnstalleerd kost vaak 10x meer dan een waterpomp door een PI en is even duurzaam. En stel dat de 10 genoemde NGO’s op het 2010 lijstje geen subsidies meer krijgen van de overheid? Neemt hun ‘draagvlak’ het dan over? Ben daarom ook reuze benieuwd naar de aanbevelingen van hun branche vereniging www.partos.nl. Kan Partos zich met succes verzetten tegen de Stef Blok’s en Wilders achtige types die met ongefundeerde en populistische uitspraken van de OS af willen? Of komt er na alle bezuinigingsronden alsnog een nieuwe orde aan ZZP’ers die zich als consultant voor OS projecten aanbieden en eerst hun eigen draagvlak (inkomen) moeten organiseren voor dat zij de ontwikkelingslanden kunnen helpen. 


Over consultants gesproken, ik kan mij voorstellen dat professioneel advies door ervaren (ex) NGO medewerkers de grote problemen die zijn ontstaan rond een Nederlands Educatie Centrum had kunnen vermijden. Onlangs is een groepje jongeren uit Cayar bij ons op bezoek geweest om hulp te vragen bij de overdracht van een nog steeds niet afgebouwd jongerencentrum op het strand van Cayar. De jongeren hebben verteld dat het leegstaande en onafgemaakte gebouw nu in handen is van een Amsterdamse familie en een Senegalese man die oorspronkelijk uit Dakar komt en niet uit Cayar. Een afsplitsing van dit project is wél succesvol. Onze reactie was: Lieve Cayar jongeren maak eerst een duidelijk businessplan en doe een helder voorstel over het ‘bezit’ van het gebouw. Dat kan alleen maar een stichting zijn bestuurd door vrijwilligers die publiek verantwoording afleggen aan de gemeenschap. Wij wachten nu op een reactie uit Cayar. Wij willen wel helpen want het gaat immers om een grote groep jongeren in Cayar en omgeving die al 4 jaar wachten. Grotere belangen zijn er volgens ons niet. En wat gisteren is gebeurd zou geen rol mogen spelen voor de toekomst van morgen.


Een onderzoeksgrafiek van het NCDO

The Hunger Project heeft in 20 jaar tijd op duurzame wijze meer dan 
250.000 mensen in Senegal bereikt.

Hunger Project spreiding in Senegal



 de website van Kinderen van Kayar




een nieuwe website van bezorgde Senegalese burgers



ex straatkind Assane slaapt lekker in dakarkids



donderdag 10 mei 2012

Eindelijk een APP voor ontwikkelingswerkers NGO’s of PI’s

Dure woorden zoals 'Animisme, Paternalisme, Patronage, Nepotisme, de Trias Politica, Broederschappen" – Je zal er meer mee te maken krijgen als ontwikkelingswerker in bijvoorbeeld West Afrika! Als ik de dure woorden uitspreek dan wringt mijn tong zich in bochten. Na zoveel jaren in een Franstalig gebied begin ik zelfs al te schrijven met een Frans accent. Ik heb het nu even niet over noodhulp, bilaterale en multilaterale projecten maar eerder over kindsoldaten, straatkinderen, boeren in dorpen en de positie van meisjes en vrouwen. Gevolg van buitenlandse interventies zijn dan medisch/sociale opvangprojecten, onderwijs projecten, agrarische projecten en sinds enige jaren duurzame (milieu) projecten. In hoofdlijnen zijn dit de vier gebieden waar de NGO’s en de particuliere initiatieven (PI’s) zich mee bezig houden. In tegenstelling tot de NGO’s die veelal een ‘werkdomein of specialisatie’ kiezen gaan de PI’s veel breder  aan de slag. Zij worden dan ook niet geplaagd door al teveel formaliteiten die door ‘Den Haag’ of het hoofdkantoor van een NGO zijn opgelegd. Bij de NGO’s en de PI’s zijn de doelstellingen vaak zeer duidelijk maar tijdens de uitvoering worden zij vaak geplaagd door onvoorziene tegenslagen die direct te maken hebben met de cultuurverschillen bij de ‘ontvangende partijen’.

Als ontwikkelingswerker heb je inlevingsvermogen nodig en een open vizier en zijn je grootste tegenstanders paternalisme en patronage. Het is jammer dat Geert Wilders zo boos is op de Islam want juist hij schurkt zo graag tegen paternalisme en patronage aan. Hierdoor zou Geert de ideale lokale directeur zijn van een lokaal NGO project met een groot budget om bijvoorbeeld de voedselproductie in Islamitisch West-Afrika dusdanig op gang te krijgen waardoor er zoveel extra wordt verbouwd dat er bijna 50% naar Nederland geëxporteerd kan worden. Voor zijn vertrek naar Touba regelt hij in Brussel nog even dat de landbouwsubsidies worden afgebouwd in gelijke tred met de resultaten van zijn inzet in West Afrika. Zijn naar populisme neigende aanpak is ideaal om de vele keuterboertjes op de plattelanden van West Afrika te motiveren. In de tussentijd kunnen de werkeloos geraakte boeren in Nederland omgeschoold worden door Nederlandse training instituten om goed geïnstrueerd naar West Afrika te vertrekken. Voor alleen gaande boeren werkt de KRO samen met de West Afrikaanse Islamitische Omroep aan speciale productie ‘Boer Zoekt Vrouw in West Afrika’. Global warming begint immers ook in de slaapkamer. Mocht Geert die als Indo best wel goed tegen de warmte bestand is toch liever naar Amerika immigreren (daar voelt hij zich veilig zei hij onlangs) dan zou Maxime Verhagen het ook wel eens heel leuk kunnen doen in West Afrika. Zijn tobberigheid zou aldaar als bedachtzaamheid uitgelegd kunnen worden en in de orale cultuur van de West Afrikanen neemt men vaak alle tijd om de zaken goed door te spreken. Hier ligt een kans voor Maxime.

Wij weten allemaal dat animisme de voorloper was van religie. En dat het merendeel van de ontwikkelingswerkers uit een van de monotheïstische landen komt. Ofwel landen met een eeuwen oude christelijke cultuur die ook door moderne ongelovigen niet valt te ontkennen. In Nederland wonen minder dan 3 miljoen mensen die pertinent een ander geloof hebben. Waar Geert Wilders zo bang voor is begrijp ik niet zo goed. Er is een grote kans dat over vijftig jaar weer een groot aantal klimhallen in bijzondere en in ongebruik geraakte gebouwen gevestigd kunnen worden. Toen Nederland nog het grootste Islamitische land ter wereld was hebben twee Nederlandse architecten Klingenberg en Dingemans nog een prachtige moskee voor de stad Medan op Sumatra ontworpen. Dit was zeker niet de enige moskee die de Nederlanders in Indië hebben gebouwd. Dat waren nog eens tijden. In 1929 schreef Jef Last een liedje over een type ontwikkelingswerker die toen nog zendeling werden genoemd. Hier de eerste vier regels op de foto beneden het artikel het gehele liedje. ‘Nu ‘ik je landen heb genomen – en je arbeid niet betaald – weet je, dat je moet geloven, - wat de zendeling verhaalt’ -. De zendelingen kregen vrij baan toen de Ethische Politiek werd ingevoerd. Zij kwamen vooral om het animisme onder de Inlanders te bestrijden en mocht het zo zijn dat de Inlanders inmiddels de Islam aanhingen dan zouden de mooiere schoolgebouwen en de betere sanitaire voorzieningen de weg wel plaveien naar kerkgebouwen waar één God vereerd werd en de wil van de zendeling wet werd naast de door Nederlands bestuur opgelegde wetten naar Nederlands model. Het aanbidden van bomen, grote stenen, onzichtbare dieren, geesten en voorouders werd als ‘not done’ verklaard. En de Islamisering van Nederlands-Indië moest een halt toegeroepen worden de Sharia werd door de Nederlanders als onwettig beschouwd en was een bedreiging voor de productie van de zeer winstgevende export naar Nederland. 

Als je bijvoorbeeld in West Afrika aankomt als ontwikkelingswerker dan krijg je vanzelfsprekend een aantal lokale collega’s. Deze collega’s hebben allemaal een vader of anders een broer van- of een oom die de familie scepter hebben overgenomen. Zijn woord is ten alle tijden belangrijker dan het salaris/vergoeding of de aandacht die een buitenlandse NGO of PI schenken aan de lokale collega die het ‘project’ komt ondersteunen. Als de vader of oom besluit dat het familielid niet bij een blanke NGO of PI mag werken dan is zijn wil wet. Als het wel mag zit er iets achter. Dit paternalisme vindt zijn oorsprong in de oude dorpsculturen waarbij de familievaders een leider aanwijzen die als Chef wordt aangesteld. Door patronage weet hij zich verzekerd van steun voor het door hem gevoerde beleid. Het belonen met gunsten is immers lucratiever dan het niet gunnen. Want dat moet je uitleggen. Als ondanks het beleid van de patriarch de oogsten mislukken en de inkomsten dalen dan wil nepotisme ofwel het begunstigen van familieleden nog wel eens een voortreffelijk middel zijn om de zo moeizaam opgebouwde positie en welvaart van de patriarch in stand te houden. De patriarch is inmiddels lid geworden van een broederschap en onderneemt reizen naar een van de hoofdzetels van zo’n broederschap in bijvoorbeeld Touba, Tivaouane of Layene. Hij ontmoet daar gelijkgestemden en vindt zelfs een inspirerend idool en wordt dan zijn volgeling. Het idool inspireert de kleine patriarch tot nieuwe vormen van leiding geven en religieuze beleving in zijn familie en dorp. En ook de kleding van de kleine patriarch wordt beïnvloed door de modetrends in de religieuze centra. De kleding wordt steeds minder geschikt als werkkleding op de landerijen en ook de stoel in de Bantaba (ontmoetingsplaats) word hoger en mooier dan de andere stoelen.

Als je als ontwikkelingswerker in West Afrika aankomt dan dien je rekening te houden met de grote invloed die de religie heeft op de staat. De regeringsleden zijn voor 95% aanhangers van één van de genoemde broederschappen die pas in de tweede plaats ‘volksvertegenwoordiger zijn’. De scheidingslijn tussen religie en staat is bijzonder dun. Als de broederschappen morgen ieder een eigen Bank zouden openen dan zou onmiddellijk zichtbaar worden dat zij over veel meer kapitaal beschikken dan de overheid. Het volk leert immers al jong dat goed leiderschap best wel wat mag kosten, doneren aan je geestelijk leider is immers de weg naar verlossing en mogelijk een positie aan de zijde van je leider. Als dan de NGO’s en de PI’s met buitenlands (gratis) geld voor aanvulling van de staats- of dorpskas zorgen dan is dat natuurlijk prachtig. Want naast de bereidheid om te helpen uit naastenliefde is er ook nog zoiets als een collectief schuldgevoel wat gevoed wordt door gebrekkige kennis over bijvoorbeeld het koloniale verleden van Holland en de daarbij behorende ontkenningsproblematiek. Ongecontroleerd ‘willen helpen’ als informeel Particulier Initiatief kan echter ook tot vergroting van de bestaande problematiek leiden en draagt weinig bij aan de lange termijn oplossing. 

In mijn vorige blogbijdrage maakt ik gewag van een Koran School /Daara op 50 met afstand van ons projectonderkomen Villa Dakarkids. Van de week hadden wij ’s avonds in de gehele wijk een langdurige stroomonderbreking. Daar zijn wij aan gewend. Onmiddellijk veranderde onze wijk naar een situatie zoals 800 jaar geleden in een dicht bebouwde grote nederzetting. In het donker de contouren van kleine en grote gebouwen met hier en daar een olielampje of vuurtje. Op het grote en smerige terrein van de Daara was een groepje Talibé bezig met het opwarmen van gekregen gekookte rijst met wat groenten in een groot leeg conservenblik. Tijdens het passeren werd ik door de jongens uitgenodigd om bij het vuurtje te komen staan. De smerige prak werd ondertussen opgegeten en er werd geanimeerd vragen gesteld over onze Dakarkids die kennelijk veel vaker oude kleding en eten kwamen brengen dan ik wist. Aan mij werd gevraagd of er niet een groepje jongens dagelijks les in lezen en schrijven gegeven kon worden. Ik heb toen gezegd dat de Oustache ofwel Koranschool leider altijd persoonlijk bij ons langs mag komen met zo'n vraag. Ik heb er aan toegevoegd dat áls hij het niet zelf komt vragen, dat ik dan over circa twee weken aan hém zal vragen waarom hij niet is langs gekomen. De jongens en ik wisten dat hij dat nooit zou doen. Hij verlangt immers minstens 500 CFA (85 euro cent) per dag per kind als betaling voor zijn Koranlessen. Regulier onderwijs voor zijn kinderen zouden zijn verdienmodel echter grote schade aan kunnen brengen. Over twee weken ga ik bij de Oustache langs met een medewerker van het gemeentehuis om te vragen waarom hij zijn kinderen het recht op goed onderwijs onthoud (wordt vervolgd).

'Weet je nog wie mevrouw L. is?' vroeg een oudere Talibé mij bij het vuurtje. Na diep nadenken herinnerde ik mij een oudere dame uit de buurt van Holland die met haar 20 jaar jongere Senegalese minnaar in 2008 wanhopig om financiële noodhulp had gesmeekt voor háár Talibé project in een nieuwbouwwijk waar veel onafgebouwde huizen stonden en waar groepen met jongens met een zichzelf Koran-leerkracht noemende man woonden. Mevrouw L. Was in 2006 in Yoff neergestreken nadat zij plotseling weduwe was geworden. Al snel kreeg zij een vriend en begon zij met het helpen van Talibé. Het was aanvankelijk een kleine groep van circa acht jongens uit een dorp niet ver bij Linguere vandaan.  Door de geboden hulp van mevrouw L. Steeg het aantal nieuwkomers ui het dorp met sprongen. Als mobieltjes het persoonlijk geluk verhogen dan is de groei van het Talibé project van mevrouw L. een mooi voorbeeld. Er werd indertijd druk naar het dorp van de jongens gebeld dat de Koranschool meer leerlingen kon opnemen door de hulp van mevrouw L. Binnen twee jaar was de erfenis op en mevrouw was er niet in geslaagd om voldoende donateurs en subsidies te verzamelen om haar project in stand te houden. Door de financiële zorgen en het wiet en drankgebruik van haar minnaar was ook die relatie bekoeld en heeft mevrouw L. in 2008 schielijk het land verlaten om nooit meer terug te komen. Inmiddels was de Daara die door haar geholpen werd uitgegroeid tot 34 jongens uit het zelfde dorp die in 2011 uit hun kraakpand werden gezet en op het landje vlak bij ons project terecht zijn gekomen. Er wonen nu 42 jongens met hun Koran leerkracht. 22 jongens slapen buiten omdat de hut te klein is voor iedereen. De jongens zijn verplicht om meer dan 500 CFA per dag ( 80 eurocent) en eten op straat te bedelen. Dat kost hun gemiddeld 12 uur per dag.

West Afrika staat vol met onafgewerkte en onafgebouwde gebouwen die ooit door reeds lang verdwenen NGO’s en PI’s zijn neergezet met de beste bedoelingen. De gemiddelde levensduur van dergelijke projecten is minder dan drie jaar. Toen was het vuur eruit of moest ‘het volk’ het ‘zelf’ kunnen doen was de algemene doelstelling. Het geïnvesteerde kapitaal is aan bouwmateriaal, eventueel inrichting, eten en vergoedingen op gegaan. Op deze wijze zijn er miljoenen Euro’s op informele wijze in de economie van Senegal verdwenen. Het is als het ware cadeau gegeven aan de Staat die bemerkte dat niets doen veel meer oplevert dan wél iets doen en bijvoorbeeld de ‘buitenlandse hulp’ te reguleren en ordentelijk te verdelen. De bilaterale en multilaterale hulp aan bijvoorbeeld Senegal heeft ogenschijnlijk weinig zichtbare verandering op ‘staatshuishouding’ niveau gebracht maar over een periode van bijvoorbeeld 20 jaar is er wel zeer veel ten goede veranderd door deze hulp. Het langzame secularisering proces, de trek vanuit het platte land naar de steden en de explosieve bevolkingsgroei is een van de grootste tegenkrachten op de weg naar ontwikkeling. Aspirant ontwikkelingswerkers dienen eenmaal aangekomen dan ook rekening te houden met de dure woorden waarmee dit blogartikel vol staat. 

Ideaal zou een APP zijn waarin de dure woorden en de ‘do’s and don’ts’  in een ontwikkelingsland op makkelijke wijze te vinden zijn. Heerlijk zo’n Development APP met extra WiKi en daarnaast gezondheidstips, kleding tips (wat trek je aan als je lang een moskee of heilige boom loopt). Of hoe ga je om met een verliefdheid met een lokaal iemand en hoe vertel je het thuis of aan je baas. Hoe schat je eigendomsverhoudingen in. Hoe schat je corruptie in en hoe ga je daar mee om. Of hoe ga je om met het idee dat veel lokalen vinden dat de christelijke landen eigenlijk een ‘schuld’ komen inlossen met jou project als metafoor terwijl de lokale mensen vinden ‘give me or us the money’ dan doen wij het zelf wel. En vergeet dan ook niet dat jij door hún god werd gezonden dus ben je alleen maar een boodschapper. Ja, hij zou er toch écht moeten komen die Development App. Inclusief de historie en analyse van de vele projecten die prima zijn verlopen of mislukten. Heeft U vragen of bijzondere verhalen. Ik redigeer deze gaarne voor de nieuwe APP - dakarkids@gmail.com of ddtcentre@gmail.com.

Development App. inclusief de historie en analyse 
van de vele projecten die prima zijn verlopen of mislukten.

Tom Poes is slim. Hij heeft het kapitaal van Heer Bommel ooit verdubbeld. 
Was het oud-geld van Bommel eigenlijk uit Nederlands-Indië afkomstig?

Een liedje van Jef Last uit 1929 - uit 
Liedjes op den maat van de rottan



De grote door Nederlanders ontworpen moskee in Medan

Touba -Senegal

Tivaouane -Senegal

Yoff - Layene - Senegal

Schoon water is ook een groot probleem in Senegal

Talibe in Yoff eten vaak een koude prak

Dakarkids stimuleert community projecten in Yoff - Senegal  


je kan ook wat doen voor en met de dakarkids in Yoff-Layene - Senegal