Posts tonen met het label Sandiara. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Sandiara. Alle posts tonen

dinsdag 13 mei 2014

Sandiara en de weg van eigenbelang naar gemeenschappelijk belang


Wij zijn een keurige Senegalese stichting en doen niet aan politiek of religie. Dat staat ook in onze statuten. Wij wonen in Sandiara en maken deel uit van de bevolking. Wij hebben ook een stem. 

Toch zijn we niet vergeten wat de soms wat zeurende Duitse filosoof Friedrich Nietzsche zo ongeveer schreef. ‘Het heeft geen zin om oude tradities te veranderen. Het is beter om een nieuwe traditie te introduceren'. - En met deze uitspraak in gedachten proberen wij als medebewoners een bijdrage te leveren aan het welzijn en aan de verhoging van de welvaart in ons dorp Sandiara. Ook uit eigenbelang. Wij willen gewoonweg dat wij en ál onze kinderen een fijne (school)tijd hebben om daarna een baan te vinden en met een eigen inkomen een bijdrage te leveren aan de plaatselijke en landelijke economie en het algemeen welzijn.

De zo vaak geromantiseerde ‘oude tradities’ hebben tot op heden geen goed onderwijs en voldoende banen opgeleverd. In onze visie moet er niet op ‘de overheid’ gewacht worden maar moet iedereen zelf de handen uit de mouwen steken. Er zijn in Sandiara meer dan 1000 prima hectaren land en voldoende water beschikbaar waar goed geld verdiend kan worden. De gemeente Sandiara heeft wel een mooi nieuw leegstaand gebouw. Maar nog geen competente medewerkers die het lokaal bestuur en de administratie gaan opzetten. Ook de gezondheidszorg is onvoldoende georganiseerd. 

Daar gaan wij graag mee helpen via onze zuster stichting BioSoleil. Deze stichting bezoekt álle dorpen en luistert naar de bevolking. Wij maken dan re-en rapportages en zorgen dat de autoriteiten hiervan op de hoogte worden gesteld. De stem van het volk is immers belangrijker dan de traditionele loze beloftes door zelf benoemde autoriteiten.

Een belangrijke doelstelling van BioSoleil is het pittig meehelpen aan het creëren van minstens 1200 banen die werk bieden voor alle disciplines die nodig zijn voor de opbouw van de lokale economie. Daarnaast is er het aantrekkelijk maken van Sandiara voor buitenlandse investeerders. Met name op het gebied van de agricultuur en producenten van  tot op heden geïmporteerde artikelen. Dat verreist o.a. een goede gemeentelijke administratie die de investeerders op alle gebieden ondersteund. Ook bij het vinden van goed opgeleid lokaal personeel.

De oprichting van een nieuwe en in Senegal onbekende vorm van publieke school met  voorbereidend en hoger technisch onderwijs is al in gang gezet. Het nieuwe Lycée Technique Sandiara waar wij nauw bij betrokken zijn gaat jonge goed opgeleide medewerkers afleveren die in de directe omgeving aan de slag kunnen.

De nieuwe technocratisch ingestelde president van Senegal Macky Sall (sinds 2012) heeft een decentraliserende koers ingeslagen. Niet de hoofdstad Dakar bepaald de toekomst van de steden en dorpen maar de steden en dorpen gaan deze zélf bepalen. Zij krijgen gekozen burgemeesters en eigen budgetten. Willen de burgemeesters méér dan zullen zij daar zélf voor moeten zorgen. Dat gaat dus spannend en leuk worden op ons dorp. Sandiara is het centrum van 28 omliggende dorpen en 2000 hectaren land waarvan circa 300 hectaren in cultuur zijn gebracht. De opbrengsten zijn navenant laag. Er wordt maar één keer per jaar geoogst. Toch zou dat makkelijk twee keer jaar kunnen en dan zou de werkelijke winst met 100% stijgen.

De werkeloosheid van jongeren tot 25 jaar in West Afrika zal rond de 90% zijn. Ook voor ouderen is er nauwelijks werk te vinden. In Senegal bezoekt het merendeel van de jeugd zo lang mogelijk allerhande vormen van onderwijs. Om iets te doen te hebben. Het leid zelden tot vast werk met een vast salaris. Er is nauwelijks sprake van enige industrie in Senegal. 60% van de noodzakelijke voeding wordt geïmporteerd. Gebruiksvoorwerpen, meubilair, vervoermiddelen en andere luxe artikelen worden eveneens geïmporteerd.  

Het autopark is gemiddeld 20 jaar oud. De duizenden dagelijks aan auto’s knoeiende ‘monteurs’ zijn weliswaar inventief maar hebben geen kennis van zaken. De voor hen onbekende elektronica in jonge auto’s wordt vaak ernstig ontregeld waardoor er eerder schades ontstaan en het benzine gebruik soms verdubbeld.

Huisvuil ophalen en recycling staan op een zeer laag niveau en de vervuiling door bijvoorbeeld, plastic, oude auto’s, oude Pc’s en goedkope Chinese mobiele telefoons brengt enorme schade aan. Er worden nog steeds veel bossen gesloopt om aan brandhout te komen. Ondanks bomen aanplanting campagnes door overheid en gefinancierd met buitenlandse donaties verdwijnt er jaarlijks meer bos dan er bij komt.  Er is kennelijk nooit gedacht aan het opzetten van bomenkwekerijen in de regio’s. Aan de meer dan 700 kilometer lange kust dreigen ecologische rampen en de Sahara dringt zich steeds verder op.

Is het dan volledig hopeloos in Senegal?

Helpen de Senegalese sperziebonen, tomaatjes en mango’s die in bijna alle Nederlandse supermarkten liggen dan niet mee om de economie van Senegal te verbeteren? Nou, niet echt dus! De uit NL afkomstige aardappelen en uien die nog nadrogen van de Europese subsidie zijn lager in prijs dan de productiekosten in Senegal. De Senegalese overheid verdient in de haven snel de 20% importheffing en die wordt heus niet gebruikt om de boeren te helpen.

Bijna elk gezin in Senegal heeft wel een familielid in het buitenland wat maandelijks geld stuurt. Het is ná het staatsinkomen (voor landelijke ontwikkeling te laag) en de buitenlandse donaties of leningen de derde inkomstenstroom voor de bevolking. De vierde inkomsten bron is de informele economie, die meer weg heeft van onderlinge ruilhandel.

De staat heeft ook geen idee hoe zij zich zelf tot ‘sociaal ondernemer’ om zou kunnen scholen om op die wijze op bedrijfsmatige wijze maatschappelijke veranderingen te weeg te brengen. Maatschappelijk ‘winst’ als gedachtegoed is hier onbekend. Grondstoffen zoals in veel andere Afrikaanse landen waarom gevochten wordt zijn niet aanwezig in Senegal. Wel leveren fosfaat, zout, pinda’s en de groeiende export van groenten en fruit wat geld op.  Ruim onvoldoende om de handelsbalans positief te krijgen. 

De problemen zullen toenemen als de over het algemeen zeer intelligente en welwillende jeugd geen werk heeft en aldus geen inkomen kan genereren. En Senegal heeft zoals veel andere Afrikaanse landen een uiterst jeugdige bevolking. Hoe gaan de kinderen van de huidige jeugd over 25 jaar aan voeding, water, energie en inkomen geraken? 

De prioriteiten binnen het onderwijs zijn gericht op leren lezen en schrijven. De klassen zijn overvol door gebrek aan lokalen. Er zijn nauwelijks leermiddelen en de onderwijzers en leraren zijn onvoldoende voor hun taken toegerust en volgen het hopeloos verouderde Franse onderwijssysteem wat alleen succesvol is als de klassen maximaal zijn uitgerust en niet meer dan gemiddeld 30 leerlingen zouden bevatten i.p.v zo’n gemiddeld 60 tot soms 100 leerlingen. Op de universiteiten is de situatie niet veel beter.

De heden met zijn boek “Capital in the Twenty-First Century” furore makende econoom Thomas Piketty schrijft over economische ongelijkheid. Eind vorige eeuw heeft Piketty een uitstekend onderzoek gedaan naar succesfactoren van kleinere klassen. En inderdaad leerlingen uit klassen tot maximaal 35 deelnemers hebben grotere slagingskansen in het vervolgonderwijs en op het vinden van werk.

Nu we het toch hebben over economische ongelijkheid en ongelijke kansen hebben. - Er is een langzaam opkomende middenklasse in Senegal die een nu nog zeer kleine economische motor is. Toch bevind zich het meeste privé kapitaal bij hooguit 4% van de bevolking en bij de door giften rijk geworden religieuze broederschappen. De staat heeft bijna alle staatsinkomsten voor het eigen moeizaam draaiende staatsbestel nodig.

Er wordt veel gestaakt door de duizenden ambtenaren omdat hun salaris soms maandenlang niet wordt uitbetaald. Vooral binnen het onderwijs raken leerlingen hierdoor extra achterop want leerlingen worden naar huis gestuurd en hebben vaak 6 maanden per jaar geen onderwijs vanwege de lange vakanties, veel nationale feestdagen en de vele stakingen en gehalveerde schoolroosters door het grote aantal leerlingen.

Toch hebben de sociale media er toe bijgedragen dat de jeugd steeds meer een stem laat horen en zélf aan de slag wil zonder de bevoogding door ‘ouderen’ die respect eisen maar op geen enkele wijze kunnen aantonen dat zij competent zijn gebleken in het bijdragen aan noodzakelijke sociaal-economische ontwikkelingen.

De decentralisatie politiek van het nieuwe bewind onder leiding van president Macky Sall is een stap op de goede weg. Maar het zal een moeilijke weg zijn. Sinds dit jaar (2014) mogen gemeenten hun eigen burgemeester gaan kiezen. Het oude systeem met presidenten van de lokale commune was onderwijl doodgebloed door afhankelijkheid van de verre en slecht functionerende ministeries in de hoofdstad. 

De twee burgemeester kandidaten op ons dorp, waar zich ons tweede opvanghuis bevind zijn zeer verschillend opgeleid, beiden zijn in Sandiara geboren. De oudste kandidaat is 65 jaar en was jarenlang lagere school directeur en president van de Commune Rurale. Het is hem nooit gelukt om van Sandiara een succes te maken. Hij staat wel goed bekend als vredelievend en sociaal denkend. En hij stamt uit de grootste gevestigde familie. 

De tweede kandidaat is 10 jaar jonger en is Dr. in de chemie en werkt al 22 jaar bij een groot internationaal levensmiddelen concern in Cote d’Ivoire. Hij is geboren in een klein dorpje in de buurt van Sandiara. In zijn vrije tijd verblijft hij in Dakar of in Sandiara. Voor beide kandidaten voel ik sympathie. Het zijn zeker geen nare mannen.  

Leiders worden in Senegal gekozen op basis van charisma, vriendenkringen en orale kwaliteiten. Veel wol, weinig vlees. Zo wordt er ook heden in Sandiara campagne gevoerd. Er zijn geen verkiezingsprogramma's. Hun aanhangers stimuleren eerder een soort orale heiligverklaring van hun idool dan dat zij de aanwijsbare competenties en reeds behaalde positieve resultaten van de nieuwe kandidaten benadrukken.

De in de westerse landen bekende vorm van democratie die onmiskenbaar is gekoppeld aan goed bestuur met een goed functionerend publiek belastingstelsel is in Senegal nog relatief onbekend terrein. Ondanks hoge buitenlandse investeringen op het gebied van ‘Good Governance’ is de staatshuishouding van Senegal niet echt op orde. Door de nieuwe decentralisatie politiek zijn er grote kansen voor o.a. Sandiara om orde op zaken te stellen en de lokale economie gezond te krijgen. Daar is de hulp van de gehele bevolking voor nodig. De bevolking dient de nieuwe burgemeester en de nog te vormen gemeenteraad aan te sturen.

Dat kan door voortdurend aan te dringen op transparantie, open communicatie, onderlinge samenwerking, publieke controles, resultaat analyses en de juiste competente man/vrouw op de juiste plek te zetten pas dan kunnen investeringen in tijd en geld omgezet worden in zichtbaar succes. 

Maar ook door eigenbelang om te zetten naar het dienstbaar zijn aan het grotere belang van een gezonde en welvarende gemeenschap. Dat word de nieuwe traditie die wij nastreven. Wie dat niet wil kan altijd nog naar Dakar verhuizen. Wie wel aan de slag wil moet er rekening mee houden dat er gewoon minimaal 40 uur per week hard gewerkt moet worden. Werken geeft plichten maar ook rechten. Niets doen maakt het leven doelloos en uitzichtloos. 

**Dit artikel is ook naar het Frans vertaald en aan de bevolking van Sandiara gericht. 



Burgemeester kandidaat Aliou Faye in het licht bruin


Burgemeester kandidaat Serigne Gueye Diop 


Madame Faye van  de vrouwenvereniging voor ontwikkeling van Sandiara 
met William Deymann

Meisjes op het terrein van het Lyceum van Sandiara

Klas met leerlingen Lycée de Sandiara


2016 gaat de botanische tuin van William Deymann open 

Bijeenkomst in de tuin van Serigne Diop

Ambitieus maar haalbaar de nieuwe technische school in Sandiara

Onze voetbalschool heeft meer dan 150 leerlingen


Ons clubhuis en sportspullen winkel in Sandiara t/o Villa Dakarkids 

Sandiara Kids 

maandag 15 juli 2013

Slavernij nog steeds lucratief


Slaaf zijn betekend dat je niet vrij bent en dat een ander persoon de eigenaar is van jou lichaam. - Het merendeel van de kinderen die wij in onze opvanghuizen opnemen hebben een verleden als slaaf. Onlangs nog werd een twaalfjarige jongen bij ons gebracht. Door een tante. Die de uitbuiting van haar neefje niet meer aan kon zien. De moeder van het neefje was verleden jaar na een lang ziekbed overleden. De vader van het neefje is een door polio gehandicapte man met een marktkraampje wat nauwelijks genoeg oplevert. Al vele jaren terug besloten de vader en moeder niet meer samen te wonen. Het jongetje groeide op in de huurkamer van zijn moeder en grootmoeder. De vader heeft het jongetje nooit als zijn kind erkend. Het jongetje is ook nooit ‘aangegeven’. Hij heeft geen papieren. Voor de wet bestaat hij niet. 

In 2008 werd het jongetje aangereden door een vrachtwagen. Een lang lidteken onder zijn navel en een beschadiging op zijn voorhoofd verteld het verhaal van een langdurige opname in een ziekenhuis. Met daarna een periode van lang liggen en langzaam opknappen in de benauwde huurkamer. Terwijl het jongetje langzaam opknapte werd de moeder steeds zieker. Hierdoor is Cherno nooit naar school geweest. Hij had het te druk met de verzorging van zijn moeder en met de vele klusjes die zijn grootmoeder hem gaf. Cherno kan goed vegen en schoonmaken. Hij pakt lege kopjes weg en wast deze meteen. Hij komt ongevraagd terug met een doekje en maakt het tafelblad even schoon. Zijn naam schrijven kan hij niet. Nadat hij wakker was geworden naast zijn reeds koud en stijf wordende moeder heeft grootmoeder meteen de begrafenis geregeld. De moeder werd rond vijf uur 's middags op de zelfde dag begraven. Het jongetje was bij de rouwende en biddend zingende buurvrouwen en grootmoeder achter gebleven. Hij is nooit bij het graf geweest. Een achteraf gelegen 'armenhoek' op de algemene begraafplaats. Waar veel doden liggen zonder grafsteen of andere aanduiding.

Het jongetje werd een jongen die niet meer alles wilde doen wat zijn grootmoeder hem opdroeg. Hij bleef steeds langer weg als hij een boodschap moest doen. Hij kwam steeds vaker langs bij zijn tante, de veel jongere zus van zijn moeder. Omdat de tante bloedverwant is en de grootmoeder te oud zou zijn heeft de tante de juridische verantwoordelijkheid voor het jongetje op zich genomen en er bij de grootmoeder op aan gedrongen om het jongetje naar school te sturen. Maar de grootmoeder had het jongetje te hard nodig voor de schoonmaak en het huishouden. De jongen accepteerde de klappen met de stok van grootmoeder steeds minder en bleef soms hele dagen weg en gaf aan dat hij bij zijn tante wilde wonen. Tante heeft twee kinderen en onvoldoende ruimte en middelen om een derde opgroeiend kind op te kunnen nemen. Het was de tante die het jongetje bij ons bracht. Mager, bedrukt op blote voeten en een halfvolle plastic zak met al zijn kleding. In de auto op weg naar ons landelijk gelegen opvanghuis sprak hij niet. De andere jongens begroeten hem hartelijk en met die begrijpende blik. Ah weer een, gezellig!

Nieuwe kinderen worden op de eerste dag bij ons goed in de huidcrème gezet. Zij leren dat zij échte zeep mogen gebruiken en zich lekker kunnen douchen. Dan krijgen zij als eerste een nieuwe kledingset veelal bestaand uit een echte onderbroek (de eerste in hun leven) en voetbalkleding en fijne slippers. Dan nog een paar strandschoenen voor de voetbaltraining. Een spijkerbroek en nog wat korte broeken en T-shirtjes. Bijna alles komt van onze lokale markt waar de ongesorteerde Rode Kruis kledingbalen van één kubieke meter voorzien in een mooie stapel gebruikte kleding uit Europa voor nog geen 10 Euro. Cherno was blij en aangeslagen van zoveel positieve aandacht en warmte. Hij huilde stil en legde zijn hoofd tegen mijn rug toen hij op een krukje achter mij zat in een kring tijdens de thee. De andere jongens lachten hem niet uit. Hadden zij niet het zelfde meegemaakt toen zij bij ons kwamen.

Aan het einde van de dag maakten wij ons op om naar Dakar terug te keren. Cherno vroeg verlegen aan Lamine of hij mee terug mocht. Waarom? vroegen wij hem. Hij wilde nog een paar dagen bij Lamine, Demba en mij blijven en hij wist dat wij na 4 dagen weer terug zouden komen. Wij voelden aan dat de eerste dag overweldigend was geweest en dat hij meer tijd nodig zou hebben om te wennen aan zijn nieuwe onderkomen. Hij ging mee terug en heeft dagenlang bij de grote jongens zoals Demba en Lamine maar ook aan mijn bureau onze ‘lifestyle’ in zich opgenomen. Hij genoot van het schone huis en de orde en regelmaat. En als er bezoek kwam dan deed hij net of hij al jaren bij ons woonde en luisterde stilletjes mee. Bij het wieden van onze binnen tuintjes zag hij dat de hibiscus een nieuwe en nog gesloten bloemknop had. “Zo ben jij ook Cherno”. Hij keek mij verbaast aan. De volgende ochtend kwam hij mij opgetogen halen. “De bloemknop is open kom maar kijken”. Zo ben jij ook Cherno, zo ben jij nu ook.

De herdenkingen in Nederland op 1 juli 2013 rond de afschaffing van de slavernij in de Nederlandse koloniën viel samen met het bezoek van Obama aan Senegal. Nederland (toen nog meer dan 1 miljoen vierkante kilometer) begon rijkelijk laat met het afschaffen van de slavernij die al in 1814 was begonnen. De zo door oud Minister President Balkenende geroemde VOC mentaliteit werd pas vanaf 1860 getemperd door een aantal wetswijzigingen die uiteindelijk tot afschaffing van de formele slavernij in de Nederlandse Koloniën zou gaan leiden. Onder druk van de Engelsen stopte de Hollanders in 1871 met het ‘contracteren’ van manlijke bewoners uit Ghana die via fort Elmina naar Java werden verscheept om daar als soldaat een twintigjarig contract moesten uit dienen. Veel van hun ‘gemengdbloedige’ nakomelingen zijn nog door mijn oom Pa van der Steur in zijn weeshuizen op Java opgenomen geweest.

Feitelijk wordt er herdacht dat de christelijke moraal niet toe staat dat christenen andere christenen tot hun slaaf maken. Dit licht zagen de Nederlandse wetgevers behoorlijk laat. Na de formele afschaffing van de slavernij in de westerse landen werden de Koelie (dagloner) contracten zeer populair. De laatste Nederlandse Koelieordonnanties zijn in 1941 ingetrokken. Toen kwam het Freelance werken en de nieuwste variant is de ZZP regeling. Het voordeel van de ZZP regeling is dat je een keuze hebt.  Je werkt of je werkt niet. De ‘onvrijwillige’ dienstverlening is zo oud als de mensheid. 

Massaconsumptie heeft eraan bijgedragen dat de slavernij nog steeds en in vele varianten onderdeel uitmaakt van alle economieën. Vreemd genoeg wordt er zelden ‘herdacht’ dat er nog dagelijks miljoen mensen als slaaf worden gebruikt in de Arabische landen, India, Zuid Amerika, Azië en Afrika. Grote protestacties en handelssancties zouden de olie, de kleding en het voedsel in de ontwikkelde landen stukken duurder maken. En ook minder consumeren is kennelijk geen optie. De gemiddelde Nederlander consumeert circa 78% meer dan een gemiddelde Senegalees. Als honderd Nederlanders 7% van hun overconsumptie jaarlijks aan onze kinderen zoals Cherno zouden overmaken dan zouden wij minsten duizend kinderen een geweldige toekomst kunnen geven. Of helpt ‘hulp’ niet?

Toen president Obama bij de ‘The door of No Return’ op het Senegalese ‘slaveneiland’ Goree stond. Beantwoorde hij de vele vragen over zijn bezoek aan het slavenhuis als volgt: Hij en zijn familie "waren zich ten volle bewust van de omvang van de slavenhandel". Het kan niet anders dat Obama vooral als diplomaat dit niets zeggende antwoord gaf.

Obama zal beslist op de hoogte zijn geweest van het reeds meer dan twintig jaar oude dispuut over de werkelijke omvang van de slavenhandel vanuit een van de ook door Nederland in bezit geweest zijnde koloniale handelspost in Senegal. Wetenschappelijk onderzoek heeft al langer geleden aangetoond dat het fysiek en organisatorisch onmogelijk is geweest om de zo graag aangehaalde ‘meer dan twintig miljoen slaven’ door de deur ‘Of no Return’ te krijgen. Daar was het eiland te klein voor en de zee aan de die deur was veel te woest. Het hele verhaal is een scam schreef Professor Philip Curtin al in de jaren ’90 van de vorige eeuw. In Senegal weet men ook wel beter. Maar niemand mag openlijk de ‘Goree Business’ aanvallen. Daar zij de financiële belangen te groot voor. 

De slavenhandel in het zogenaamde Senegambia gebied heeft een geschiedenis die terug gaat tot ver voor de 13de eeuw. Als het ene gebiedje oorlog voerde met een ander gebiedje dan werden de overwonnen bewoners van baby tot bejaarde ‘ingelijfd’ en als het mee zat werden er veel lokale lijfeigenen verkocht aan de rond reizende handelaren. Door de Islamisering van West Afrika werden de aanwijzingen die de Koran geeft omtrent de omgang met slaven overgenomen. Net zoals in het oude testament staat er ook in de Koran niet dat men géén slaven mag houden. Zwakkeren (zoals kinderen) mogen ‘onderworpen, worden. En die mogen vooral ‘bidden’ dat het op een dag allemaal beter zal worden. Want een grote kennis van de Koran maakt je ‘vrij’ en dwingt respect af.

Er zijn op onze planeet miljoenen kinderen onder de vijftien die van kinds af aan ingezet worden als huishoudelijke hulp of in kleine productie units. In Senegal bedelen meer dan 100.000 jongetjes op straat in opdracht van hun ‘religieuze’ leider om zijn inkomen te verzorgen. Deze Talibé zijn op jonge leeftijd uit hun dorpen weggehaald en weten veelal niet eens meer waar zij vandaan komen. Er zullen honderd duizenden kleine en groter wordende meisjes zijn die bij zogenaamde ooms en tantes in huizen wonen. Nooit naar school zullen gaan en dagelijks ingezet worden voor alle zware klussen die hun eigenaren niet willen doen. Goedkoper kan het niet.

De kinderen die bij ons worden opgenomen mogen elkaar geen ‘bevelen’ geven. Jongere kinderen worden juist vrijgehouden van taken door de ouderen. Alle voorkomende klussen worden eerlijk en naar vermogen over iedereen verdeeld. Onze structuur zorgt voor homogeniteit en loyaliteit. En plezier en gezelligheid. In sommige gevallen duurt het meer dan twee jaar voor dat onze kinderen hun verleden hebben verwerkt. Pas dan kunnen er nieuwe individuele leerwegen ingeslagen worden. Wij geven hun ruim de tijd om bij te komen. Hun vriendjes zijn altijd welkom en zien dat hun eigen vriendjes veranderen. De vriendjes die dat begrijpen vertellen daar thuis over. Hun ouders of onderwijzers spreken ons daar positief over aan. Door onze aanpak en door onze kinderen beïnvloeden wij steeds meer gezinnen. Heet dat nou ook ontwikkelingswerk?  Of geven wij de kinderen gewoonweg waar zij recht op hebben?  






Onze voetbalschool in Sandiara. 
Cherno zit vooraan met platic schoenen en een verbandje.






President Obama met echtgenote aan de achterkant van 
Villa Colas op Goree Eiland



afbeelding uit 1839 
De voorkant van Villa Anna Colas op Goree Island. 
Het gebouw dient nu als 'slavernijmuseum'.


Het door Hollanders gebouwde fort op Goree Eiland. 
Michiel de Ruyter heeft hier vaak een biertje gedronken.


Afrikaanse slavenhandel kaart vanaf circa de 13de eeuw. 
De paarse vlek betreft Senegambia en stukken van Mali. 
Veel slaven uit deze gebieden kwamen via Ghana in Amerika 
en omringende landen aan.


Maandag bonendag in Villa Dakarkids

woensdag 29 mei 2013

Vrijdag en Robinson gaan door Nederland fietsen


Wij zijn onlangs een crowd funding campagne gaan opstarten om fondsen te werven voor een BluePump en het opknappen van het onderkomen voor onze Groene Leerlingen. Een groep van onze ex straatkinderen, jongens dus. Jongens die het vermogen én talent hebben om boer, tuinman, handelaar of bedrijfsleider te worden. Wij hebben in 2012 een huis voor hen gevonden wat opgeknapt moet worden en een paar grote tuinen waar water en andere voorzieningen moeten komen. Andere Dakarkids die dóór willen leren kunnen doorstromen naar het vervolgonderwijs via ons opvanghuis in Dakar of anders verhuizen naar het landelijke lyceum in het zelfde stadje waar onze groene projecten zich bevinden. Dit kan nu vanwege onze een nieuwe zuster organisatie. Onze oudste Dakarkids zijn Lamine en Demba en zij zijn beiden verantwoordelijk voor het wel en wee van de jongere Dakarkids. Association Dakarkids heeft daarnaast een grote groep vrijwilligers die betrokken zijn op de vele kleine en grote deel projecten die deel uit maken van ons ‘community development’ programma.

Voor Dakarkid Lamine zag de toekomst er in 2004 bepaald niet rooskleurig uit. Hij was al vijftien maar leek eerder twaalf jaar oud. Zijn oogwit was bedekt met gele en rode vlekjes. Zijn donkere huid was faal grijs. Zijn veel oudere halfbroer had geassisteerd bij een NGO project waar ik in opdracht van een buitenlandse donor een controle had uitgevoerd.  Op de weg terug vroeg de broer of wij even konden stoppen bij zijn ouderlijk huis. Het bleek een onafgewerkt huisje te zijn aan de rand van een moerasgebied. In de doorgerookte kamertjes woonden zijn vader met zijn derde echtgenote. De broer van Lamine was de eerste zoon van de vader. De eerste echtgenote was al jaren eerder overleden. De tweede echtgenote was de moeder van Lamine. Lamine zat buiten op een krukje. Alleen en op afstand van zijn familie. De moeder was psychisch in de war geraakt nadat de één jaar jongere zus van Lamine in een put was gevallen. De zus was kort daarna overleden aan vermoedelijk innerlijke bloedingen. Er was geen geld geweest voor een ziekenhuis. Sinds het overlijden van haar enige dochter had de moeder geen oog meer voor haar enige zoon. En ook geen woorden meer.

Het huwelijk met de derde vrouw was zeer vruchtbaar. Er waren in vlot tempo vijf kinderen geboren. De tweede vrouw had stilzwijgend een kleine kamer met haar zoon Lamine betrokken. Om zes uur in de ochtend staat zij op en vertrekt naar de centrale markt om daar verse bonen te kopen. Vanaf acht uur ’s morgens tot acht uur ’s avonds verkoopt de moeder haar bonen vanaf een kleine wankele tafel. Zo doet zij dat al vijftien jaar. Stilzwijgend. De halfbroer nam Lamine mee naar het NGO kerstfeest. Omdat Lamine niemand anders kende dan zijn halfbroer en mij eerder had ontmoet blijf hij in mijn schaduw en was behulpzaam bij het opruimen. Drie dagen later stond Lamine voor de deur van mijn huis. Of hij mocht komen helpen met het huis was zijn vraag. Hij kon de vele planten water geven die om het huis heen in grote bakken aan de binnenmuren waren geplaatst. Mijn bureau stond onder een raam met zicht op het voor terras. Na verloop van tijd zag ik veel water onder het entree hek naar buiten stromen. Achter het huis stond Lamine met de tuinslang in zijn hand bij de bananenboom te slapen.

Toen ik hem wakker maakte glimlachte hij verlegen. En hij vroeg verlegen maar ook enigszins bang voor afwijzing. ‘Mag ik hier komen wonen’? Waarom wil je dat vroeg ik hem? Lamine verteld dat  hij door ziekte al drie jaar nauwelijks naar school was geweest. Ja hij ging wel maar hij werd vaak weg gestuurd omdat hij in de klas lag te slapen. Hij was zeer achteropgeraakt en al vijftien jaar. Men had hem al maanden daarvoor gezegd maar een baantje te gaan zoeken. Maar Lamine is een Mandinka. En die werken niet onder een baas. Zij drijven liever handel om zodoende zelfstandig te blijven. De ouders van Lamine kwamen van platteland en waren tijdens de grote droogte aan het begin van de jaren ’80 van de vorige eeuw naar de grote stad getrokken. De familie hadden jarenlang in een barak van gevonden hout gewoond en pas de laatste jaren was er wat geld geweest voor betonblokken. Het huisje had een dak met golfplaten en elk jaar werd er een stukje aangebouwd. In 2004 woonden bijna 500.000 mensen in de ‘spontane’ wijk. Zonder riolering en waterleiding. Ontlasting word in beerputten opgevangen die hun restanten vrijgeven als er overstromingen zijn tijdens de regenperiode. Ideaal voor malaria en cholera.

Lamine heeft het overleefd. Later bleken er meer jong overleden kinderen te zijn geweest. Daar wordt niet over gesproken. Want Allah wikt én beschikt. En het leven gaat immers door. Het werd mij steeds meer duidelijk dat Lamine niemand had die écht iets voor hem zou kunnen betekenen.  En Lamine had kennelijk besloten dat ik de persoon zou gaan zijn die wél iets voor hem zou gaan betekenen. Hij is nooit meer terug gekeerd naar zijn familie. Een bloed onderzoek wees uit dat Lamine verschillende keren malaria heeft gehad die een chronisch patroon begon te krijgen. Ook heden heeft het lichaam van Lamine een paar dagen per maand een moeilijke periode. Hij mag ook geen hoge koorts krijgen want dat zou dodelijk zijn. Nu, bijna tien jaar later is Lamine sterk en gezond met op de achtergrond de sluimerende mogelijkheid dat de malaria en die andere ziekte plotseling kan toeslaan. Lamine is niet alleen. Er zijn duizenden jongeren zoals hij die door ondervoeding en onvoldoende behandelde ziekten in hun jonge jaren de kans lopen om chronisch ziek te worden en plotseling te overlijden.

Het doet innerlijk pijn om hier over te schrijven. Het is intiem en persoonlijk. Maar wel de realiteit. Een Afrikaanse realiteit. Want in Nederland met ons overspannen maar voortreffelijke zorgstelsel is alles gebaseerd op repareren en kwaliteitszorg. Een paar jaar geleden hebben Lamine en ik samen de film (een serie) Robinson Crusoe op DVD gezien. Waarin Crusoe die zelf enige jaren slaaf is geweest, zich ontfermt over een ontsnapte slaaf die hij Vrijdag noemt. Genoemd naar de dag van zijn bevrijding. De film gaat over een oudere witte man en een jongere zwarte man die door het lot samen zijn gebracht en door de jaren heen met elkaar leren leven en elkaar zijn gaan begrijpen. Er groeit ook een diepe emotionele band tussen beiden. Die soms hevig onder druk komt te staan vanwege cultuurverschillen. Het is de warme sympathie en de wederzijdse afhankelijkheid die hen dan weer samen brengt. Lamine en ik moesten soms verschrikkelijk lachen om de problemen die Vrijdag en Robinson met elkaar hadden. Zij kwamen ons méér dan bekend voor. 

Lamine is pas gaan lezen en schrijven vanaf zijn zeventiende. De uitdaging was het rijbewijs. Hij moest immers de theorielessen kunnen volgen en verkeersborden kunnen lezen. Een maand na zijn achttiende verjaardag haalde hij met glans zijn rijbewijs. De computer deed de rest. Facebook en andere sociale media bieden veel beeldmateriaal maar ook kleine teksten. Afrikaanse jongeren voelen haarfijn aan dat de sociale media ‘hun’ gebied is. Meer dan 60% van de oudere Senegalezen kan niet lezen of schrijven. Dan is er nog een hoog percentage half analfabeten. De Afrikaanse jeugd in de grote steden (binnenkort woont ook half Afrika in steden) communiceren zeer veel via Facebook en ook sms’en komt in zwang. De digitalisering van de Afrikaanse jeugd is daarom hún terrein. Dit proces steun ik van harte. Het geeft de jeugd een stem die pas over een paar jaar gehoord zal worden. Maar het broeit prima onder de jongeren. Onze Dakarkids leren bij ons meer achter de computer dan op hun scholen. Als elke leerling in Senegal een iPad zou hebben in plaats van de nu nog steeds in gebruik zijnde lei of de nare schriftjes van goedkoop papier met die rot pennen. Dan zouden de Senegalese kinderen binnen enige jaren het zelfde niveau hebben als bijvoorbeeld de Nederlandse schoolkinderen.

Het is voor Lamine en ook voor de andere oudere Kids een flinke uitdaging en zeker ook niet makkelijk om al zoveel verantwoordelijkheid voor elkaar te moeten dragen. Senegal is immers een land waar de ‘ouderen’ traditioneel de dienst uit maken. Maar die hebben er tot zover nog niet veel van gebakken. En door de sociale media, zien en lezen de jongeren dat het ook anders kan. Het is dus zaak om (onze) jongeren op te leiden tot ‘nieuw leiders’. - Nieuwe leiders die oog hebben voor een gezonde economie en die de sociale belangen van kinderen en ouderen standaard in hun pakket meenemen maar ook binnen de grenzen van de ecologische mogelijkheden leren denken (en doen).

In de afgelopen jaren hebben wij veel Europese en ook Amerikaanse jongeren mogen ontvangen. Die kwamen bij ons voor een korte of lange stage. Of voor een afstudeer project. Voor hen was het verkrijgen van een visum geen enkel probleem. Als onderdeel van onze fondsenwerving gaan Lamine en ik deze zomer vijf weken door Nederland fietsen. Wij gaan op tournee om onze donateurs te bedanken en misschien vinden wij nieuwe donateurs die verder kijken dan de schuldencrisis en met raad en daad onze projecten willen steunen. Voor het visum van Lamine moeten 10tallen papieren ingevuld worden. Er moeten garanties door bevriende Nederlanders worden afgegeven en wij moeten de autoriteiten er van overtuigen dat Lamine écht terug gaat naar Senegal. Terwijl wij weten dat Lamine niet eens zou willen blijven. Hij vindt vooral dat hij verantwoordelijk is voor de Kids en ziet de reis als een uitdaging om ook hen te vertellen dat Nederland weliswaar mooi is maar dat Afrika toch meer toekomst perspectieven bied. En volgend jaar wel Lamine mee naar Indonesië om mee te helpen een boek af te maken en ook om Purworedjo te bezoeken waar in de 19de eeuw honderden Afrikaanse KNIL militairen gezinnen hebben gesticht en gebatikte doeken naar Afrika stuurden die nu zo geliefd zijn als wax textiel.

Wij gaan dus gezellig vijf weken door Nederland fietsen in de maand augustus (als de autoriteiten niet moeilijk doen) en wij bereiden alvast een 15 minuten presentatie voor. Via een laptop en een kabeltje kunnen wij ‘waar dan ook’ op een TV scherm laten zien met hoeveel plezier wij ons werk doen en welke zorgen wij soms hebben. Mensen die ons willen ontvangen nemen wij graag op in onze fietsroute maar schrijf ons even een berichtje via dakarkids@gmail.com of via facebook dan fietsen wij er wel een mouw aan.

En stel dat Robinson Crusoe en Vrijdag over fietsen hadden kunnen beschikken en een routeplanner hadden gehad? Wij hebben er reuze zin in!





















zaterdag 1 december 2012

De dood van een Talibé


Het was druk geweest op het busstation van Thies. Asanne had meegeholpen om de bagage op het dak van de meer dan veertig jaar oude Renault autobus vast te sjorren. Zoals gewoonlijk waren er weer meer passagiers dan  beschikbare zitplaatsen verkocht. Door het overgewicht op het dak zakte de bus bijna door luchtgeveerde schokbrekers. Asanne was moe. Vroeg in de ochtend waren zij uit St. Louis vertrokken en na een paar uur herladen zou dus bus rond middernacht in St. Louis terug keren. Op de achterkant van de bus waren lang geleden twee smalle ladders gelast. Aan de onderkant verbonden met een lange treeplank waarop een of twee ‘apprenti’ konden staan. Asanne werkte al weer twee jaar als apprenti op de bus van Sering de oude chauffeur die hij nog kende toen hij in de koranschool woonde.

Asanne had achterin de bus bij de achterdeur op een heel klein klapbankje gezeten. Veel passagiers waren al in slaap gevallen en de warme lucht in de bus maakte dat Asanne de achterdeur opendeed en onder het rijden met een wijdbeens sprong naar de ladder op de achterkant van de bus klauterde. Hij vond de warme avondlucht en de wind heerlijk. De wind tilde zijn hemd op en de koelere lucht streek over zijn magere bovenlichaam. De bus slingerde zich over donkere weg af en toe wat snelheid terugnemend als er een schaars verlicht dorp werd gepasseerd. Asanne had er een gewoonte van gemaakt om zijn armen om de ladder heen te slaan en rechtopstaand kon hij toch wat slaap inhalen. Hij droomde dan vaak over verre reizen en oorden waar hij foto’s van had gezien in oude tijdschriften. Of over zijn oudere broer die met een boot ’s nachts was vertrokken en nu in Spanje zou wonen. Kort voor middennacht wipte de achteras van de bus door een onverhoeds scherpe bocht en diepe kuil en slingerde de slapende Asanne van het kleine treeplankje.

Het lichaam van de slapende Asanne kwam hard met het asfalt in aanraking. Zijn gestrekte lichaam rolde met grote vaart van het hoger gelegen talud. Om een paar meter lager door de hoog opgeschoten struiken tot stilstand te komen. Pas in St. Louis zou men bemerken dat Asanne er niet meer was. Sering en de andere apprenti maakten zich geen zorgen. Zij waren moe en zouden Asanne in de ochtend wel weer zien. Als de bus opnieuw zou vertrekken. De vroege ochtendzon scheen over het magere gezicht van Asanne. Hij leek veel jonger dan zeventien. Alhoewel hij niet zeker wist of hij wel zeventien jaar oud zou zijn. Op zijn dorp werden nooit geboorteaangiftes gedaan. Er werd eerst gekeken of het kind levensvatbaar was. Asanne had twee zusjes gehad die kort na de geboorte waren gestorven. Ndeye zijn moeder had de vier weken oude tweeling ’s morgens dood gevonden. Asanne was vijf jaar oud geweest en had op de mat geslapen met zijn andere broertjes toen hij wakker werd van de zacht huilende Ndeye die de beide baby’s dicht tegen zich aan had gedrukt en gebeden prevelde afgewisseld met en toon van verdriet die hij nooit eerder had gehoord. Asanne was stil bij zijn moeder gaan zitten. Aan het eind van de middag waren de baby’s in lappen gewikkeld en buiten het dorp in een diepe kuil begraven. Gorgui de dorpsoudste had gebeden opgezegd. Asanne had op zijn hurken gezeten naar de gezichten van de grote mensen gekeken. Verweerde gezichten. Zijn vader was er niet geweest die kwam alleen tijdens de ramadan en bracht dan soms kleine cadeautjes mee uit het verre Dakar. Vader hield dan ook de nieuwe baby vast terwijl de andere kinderen om hem heen stonden.

Het ochtendlicht verwarmde het lichaam van Asanne. Zijn ogen gingen open. Langzaam trok de warmte door zijn bovenlichaam naar beneden. Zijn hemd was door de rolpartij gescheurd en lag open en half gedrapeerd langs zijn armen. Uit zijn afgezakte oude zwarte broek stak de rode voetbalbroek van zijn geliefde Spaanse voetbalclub waar zijn oudere broer dicht bij zou wonen. Het bewustzijn kwam langzaam in Asanne terug. Hij probeerde zich te bewegen. Dat lukte niet. Op het gezicht van Asanne verscheen een glimlach. Hij kon niet begrijpen dat zijn lichaam niet wilde luisteren. Vroeger ging dat als vanzelf. Hij wist ook dat hij geen pijn had. Hij kende pijn. Als hij door zijn koranleraar met een stok of een riem werd geslagen had hij geleerd niet te schreeuwen maar juist de pijn in te slikken. Want hoe harder hij huilde des te harder sloeg de Oustache. Hij was soms te moe geweest om de oude Arabische woorden die samen een spreuk of gebed vormenden telkens en opnieuw te herhalen. De woorden herkende hij op de houten afgeronde planken die de andere leerlingen voortdurend met elkaar ruilden.

Ndeye zijn moeder was stil geweest toen haar werd verteld dat Souleymane haar echtgenoot had laten weten dat hij in Dakar een tweede vrouw had getrouwd. Ook de andere vrouwen in het kleine dorp wisten wat dit betekende. Er zou minder geld uit Dakar komen. Enige maanden later was Modou uit het andere dorp bij Ndeye langsgegaan. Hij had Ndeye verteld dat hij geen boer meer zou zijn het land was te droog geweest en hij voelde zich verlicht door nieuwe inzichten. Hij had een nieuwe roeping. Hij was tot het besluit gekomen om zich als koranleraar in St. Louis te gaan vestigen. Hij wilde zijn eigen Daara openen en gunde ook de vele jongens in het dorp de mogelijkheid om zich tot Allah te wenden door studie van de Koran. Hij had al 17 kleine volgelingen en vroeg ook aan Ndeye of zij een of twee van haar jongens aan hem toe wilde vertrouwen. Vroeger, voor de grote droogte was er niet ver het dorp ook een Daara geweest. Het was een afgeschermd stuk land en bij de ingang was door de leerlingen een lemen gebouw met een dak van riet en gedroogde takken gebouwd waar zij met soms wel vijftig jongens les hadden gekregen van de strenge maar vriendelijke Oustache Mbaye. De jongens waren altijd schoon geweest en hadden ook vele uren op het land doorgebracht om te zaaien en te oogsten. Alleen op de woensdagmiddagen zwermden de vele jongens uit met hun halve kalabasschalen om suiker, rijst, bonen of ander eten bij hun ouders en buren op te halen. De volle schalen waren een teken van waardering voor de goede zorgen van de koranleraar. Dat was vroeger.

Asanne was ongeveer zeven jaar oud geweest en met zijn drie jaar oudere broer en achttien andere jongens in een oude witte bus zonder glas in de ramen naar St. Louis vertrokken. Ndeye had gezegd dat zij niet mochten huilen en goed naar de Oustache moesten luisteren. Hun leven zou veranderen en beter worden had Ndeye gezegd. Asanne had zijn moeder lang aangekeken en in haar gezicht gezocht of er ergens een uitdrukking was waardoor hij bij haar kon blijven. Net zoals de andere moeders had Ndeye een grote wijde hoofd en schouderdoek omgeslagen en leek hiermee te willen vertellen dat haar besluit vast stond. De schaarse bezittingen van de twintig jongens waren in drie grote linnen zakken samengebracht en op het dak vastgebonden. Asanne was geschrokken van het rauwe geluid van de motor. Het was de eerste keer dat hij in een bus zat en hij verbaasde zich over de wijze waarop het landschap onder en opzij van de bus hem meenam naar het onbekende oord waar hij enige uren later in het donker terecht zou komen. Modou die vroeger boer was geweest wilde nu Oustache genoemd worden. Hij verteld de jongens in de bus dat hij voor hen zijn leerlingen en zijn Talibes, alles had opgegeven. Zijn vrouw en kinderen zouden achterblijven en hij zou hun de weg wijzen naar kennis die groter was dan het leven. Door armoede en eenvoud zouden zij eerder begrijpen wat de boodschap van Mohammed zou zijn. Als zij hem zouden volgen zoals hij Oustache Modou, Mohammed volgde. Dan zou de beloning in het paradijs vele malen groter en mooier zijn dan het harde leven op aarde. De jongens waren onder de indruk geweest van Modou die zo veranderd leek en in zijn lange witte Boeboe gewaad en nu zoveel indruk maakte.

Asanne zou bijna zeven jaar in het ommuurde grondstuk vlak bij de zee verblijven. Er was een kleine kamer voor de Oustache met een gordijn als deur. Door de jaren heen had de Oustache ook vaak kleine papiertjes opgerold met daarop een krachtige spreuk uit de koran. De rolletjes werden met wat zand in een leren zakje genaaid en van een zwarte koordje voorzien. Soms met kralen versierd. Deze gris-gris werden als talisman verkocht aan mensen die kracht of bescherming nodig hadden. De Oustache was steeds succesvoller geworden met de verkoop van zijn gris-gris. Hij werd nu ook Marabout genoemd. De jongens sliepen naast de kamer van de koranleraar. Onder een groot afdak waar ook de opgerolde matten stonden en de linnen zakken met oude kleding. Elke dag werd er water gezocht in de wijk en sleepten een paar leerlingen de 10 liter waterflessen naar de Daara. Veel tijd voor koranlessen was er nooit geweest. Alle jongens brachten op blote voeten vaak meer dan twaalf uur per dag door met bedelen. Er moest immers door iedere jongen meer dan 500 CFA opgehaald worden. Op straat was het vaak ook leuker dan in de Daara. Er veel te beleven en als je geluk had dan vulde het grote lege tomatenpuree blik zich met rijst, suiker of gekregen etensresten. Die 500 CFA bleven echter wel verplicht maar de extra hapjes waren wel een prettige aanvulling. Vooral als het ’s nachts koud was dan was het prettig geweest als er nog wat extra eten voor het slapen verorberd kon worden. De jongens sliepen dicht tegen elkaar aan. De warmte die zij elkaar konden geven onder het dunnen laken was niet altijd voldoende geweest.

Asanne had met verbazing geaccepteerd dat zijn lichaam niet meer wilde bewegen. Hij had de pogingen opgegeven om signalen te geven aan zijn benen en armen. Die bleven roerloos. De warmte van de zon nam toe en Asanne begon licht te zweten soms werden zijn ogen vochtig maar door de zon verdampte het weinig vocht. De kleine mieren op zijn voeten voelde hij nauwelijks. Telkens opnieuw kwamen er beelden van vroeger als een fototentoonstelling voor zijn ogen. Er waren ook momenten dat hij de geur van zijn moeder dacht te ruiken of Maimouna. Haar handen waren zo zacht geworden door de zeep als hij door haar gebaad werd. Asanne was verliefd geworden op Maimouna. Hij was veertien en Maimouna twaalf. Met haar zou hij gaan trouwen dat stond vast en als Allah het wilde zou het ook zo gebeuren.

Asanne dacht aan haar lieve gezichtje wat hij al zo veel jaren kende. Maimouna woonde een paar straten verder. In een groot huis met veel belangrijke mensen. Er waren zelfs twee auto’s en de vader van Maimouna werd elke ochtend door een chauffeur weg gereden. Maimouna liep dagelijks naar haar school en Asanne zorgde ervoor dat hij zo vaak mogelijk in haar straat of dicht bij de school was om haar onopvallend te kunnen begroeten. Soms was er na schooltijd gelegenheid geweest om wat langer te praten op een ingetogen en toch vrolijke manier. Want eigenlijk mocht Asanne in het geheel niet praten met een meisje uit de hogere klasse. Het was Maimouna geweest die had besloten om de vriendschap toe te staan. Asanne had dat zeer bewonderd. Een meisje dat zelfstandig overkwam en hem de kleine bedelaar, aandacht wist te schenken. Er waren dagen geweest dag  Asanne kwaad en opstandig was geweest over zijn schrale leven dat zo uitzichtloos leek. De oudere jongens in de koranschool van Oustache Modou waren soms met ruzie vertrokken. Zij accepteerden het gezag van Modou niet meer. Het was Modou goed gegaan. Hij had van de gebedelde inkomsten eerst een klein winkeltje kunnen kopen. En later opnieuw een grotere winkel. Hij woonde allang niet meer in het kamertje zonder deur met dat lichtblauwe gordijn. Daar woonde nu zijn assistent die eigenlijk de korangeschriften beter kende dan Modou zelf.

Er was ruzie geweest tussen de oudere jongens en de Oustache. De jongens waren woedend weggelopen. De Oustache had hen nageroepen dat zij zijn beste leerlingen waren en dat hij zo veel voor hen had betekend. De jongens hadden zich niet meer omgedraaid. En Asanne was verbaasd geweest over het gemak waarmee de jongens zich vrij hadden gemaakt. Een jaar later zou Asanne het zelfde doen. Hij had Sering al eerder leren kennen. Een chauffeur op een grote bus die na zijn ritten vaak op een bankje had gezeten voor zijn huisje. Asanne had hem gevraagd hoe het onderweg op de reizen toe ging en waar de bus zoal kwam. Sering had gezegd ‘ga meer eens mee dan zie je waar ik over spreek’. Asanne was een paar keer mee geweest zonder toestemming van de Oustache. Het geld wat Sering hem had gegeven voor zijn hulp had Asanne ’s avonds aan de Oustache gegeven. Wanneer Asanne precies apprenti werd wist hij niet meer. Hij had zijn weinige kleding verzameld en had tegen de andere jongens in de Daara gezegd dat hij voortaan in de bus zou slapen. Niemand had hem tegengehouden en niemand zou hem geluk wensen. 

De zon had het lichaam van Asanne opgewarmd maar Asanne had het steeds kouder gekregen. De beelden die hij zo scherp voor zich had gezien werden steeds vager en kleurden zich met het geel van de zon. Asanne vond het een mooi spel en glimlachte want hij wist dat hij op weg naar het paradijs was. Pas twee dagen later stopte de oude witte bus aan de andere kant van de weg. Sering de chauffeur probeerde nog de knopen van het hemd van Asanne dicht te doen. Zijn trillende vingers voelden dat het te laat was. Hij streek over het verharde en uitgedroogde gezicht van Asanne en voelde onder zijn hand de bevroren glimlach van Asanne. 












NB: In West Afrika worden 100.000den meisjes en jongens het recht op opgroeien binnen hun eigen familie en het recht op regulier onderwijs ontzegd door exploitatie van hun levenslust. Jongens die in de informele 'koranscholen' opgroeien hebben het nu hun jarenlange verblijf extra moeilijk om sociaal te integreren. 

Zij spreken veelal geen Frans en kunnen nauwelijks lezen en schrijven. 
Meisjes vanaf 10 jaar oud worden 'uitgeleend' aan familieleden 
of moeten jarenlang als werkster in rijkere gezinnen aan de slag.